Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2018:3428 ECLI:NL:RVS:2018:3428 AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:3428 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2018:3428
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201800124/1/A2. Datum uitspraak: 24 oktober 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Groningen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 november 2017 in zaak nr. 17/1298 in het geding tussen: [appellant] en de examencommissie van de beroepsopleiding advocaten. Procesverloop Bij besluit van 4 januari 2017 heeft de examencommissie de door [appellant] afgelegde toets Arbeidsrecht beoordeeld met het cijfer 5,2. Bij besluit van 21 maart 2017 heeft de examencommissie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het cijfer vastgesteld op 5,3.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:1 van de Awb, artikel 7:25 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2018:3428 · Raad van State: Het besluit van 21 maart 2017 behelst de beoordeling van een door [appellant] afgelegde toets. De vraag rijst of dit een besluit is als bedoeld in artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Na schriftelijke aankondiging is deze vraag ter zitting met partijen besproken. Mede in het belang van de rechtseenheid ziet de Afdeling aanleiding om uiteen te zetten hoe zij een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, vanaf heden beoordeelt.

Keywords

AI generated
artikel 7:1 van de Awb artikel 7:25 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:1 van de Awb
Gelet op artikel 7:1 van de Awb kan daartegen evenmin bezwaar worden gemaakt.
artikel 7:25 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:210
201405553/1/A1. Datum uitspraak: 28 januari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Staetendam Invest B.V., gevestigd te Breda, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 mei 2014 in zaken nrs. 13/3031 en 14/227 in het geding tussen: onder meer Staetendam Invest en het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout. Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2012 heeft het college aan Staetendam Invest een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bioscoop met supermarkt, fitnesscentrum, verhuurbare ruimten en parkeergarage aan de Statendamweg 65 te Oosterhout en het aanleggen van een in- en uitrit aan de Statendamweg en een uitrit aan de Vaartweg.
ECLI:NL:CRVB:2013:1418
Centrale Raad van Beroep 11/2539 INBURG, 11/2540 INBURG Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 maart 2011, 10/5562 en 10/5570 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Wonen, Wijken en Integratie, thans de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Minister) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. drs. J.E. Groenenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Minister heeft een verweerschrift ingediend. De Minister heeft desgevraagd een nader stuk ingediend.
ECLI:NL:RVS:2003:AF4735
Procesverloop Bij besluit van 12 mei 2000 heeft het Examencentrum van de stichting “Stichting VAM”, INNOVAM Examencentrum (hierna: INNOVAM) bepaald dat appellant niet is geslaagd voor het examen rij-instructeur motorrijtuigen categorie E achter B, deel 2 “het geven van een praktische les”. Bij besluit van 31 januari 2001 heeft de Commissie van beroep, bedoeld in artikel 3 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 (hierna: de Commissie van beroep), naar aanleiding van het door appellant ingestelde administratief beroep tegen het besluit van 12 mei 2000, bepaald dat dat besluit niet in stand blijft en dat INNOVAM appellant opnieuw dient op te roepen voor het kosteloos afleggen van dat deel van het examen.
ECLI:NL:RVS:2007:BA8158
Procesverloop Bij besluit van 13 februari 2004 hebben mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201800124/1/A2. Datum uitspraak: 24 oktober 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Groningen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 november 2017 in zaak nr. 17/1298 in het geding tussen: [appellant] en de examencommissie van de beroepsopleiding advocaten. Procesverloop Bij besluit van 4 januari 2017 heeft de examencommissie de door [appellant] afgelegde toets Arbeidsrecht beoordeeld met het cijfer 5,2. Bij besluit van 21 maart 2017 heeft de examencommissie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het cijfer vastgesteld op 5,3.

Bij uitspraak van 23 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De examencommissie heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.T. Huisman, advocaat te Groningen, en de examencommissie, vertegenwoordigd door mr. M.W.P. de Boer en mr. J.A.F. Peters, zijn verschenen.

Overwegingen 1. [appellant] heeft op 29 oktober 2016 in het kader van de beroepsopleiding voor advocaten de toets voor het onderdeel Arbeidsrecht afgelegd. Bij besluit van 4 januari 2017 heeft de examencommissie de toets beoordeeld met het cijfer 5,2. In bezwaar heeft [appellant] aangevoerd waarom de beoordeling van de door hem gegeven antwoorden volgens hem op onderdelen onjuist is. De examencommissie heeft daarin aanleiding gezien het resultaat bij besluit van 21 maart 2017 te herzien. Ook met het cijfer 5,3 heeft [appellant] echter geen voldoende gehaald. 2. [appellant] heeft op 3 juni 2017 deelgenomen aan de herkansing van de toets en heeft daarbij een voldoende gehaald.

Volgens de rechtbank is daarmee het procesbelang van [appellant] in beginsel verloren gegaan. In de enkele behoefte van [appellant] en de door hem gestelde bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van de beroepsopleiding heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om desondanks procesbelang aan te nemen. Dat geldt ook voor de door [appellant] gestelde schade ten gevolge van de in geding zijnde besluitvorming, nu hij dit geenszins heeft onderbouwd. 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen procesbelang meer heeft.

Daartoe voert hij aan dat hij in beroep heeft aangeboden nader bewijs te leveren van de gestelde schade, maar daartoe ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld omdat dit aanbod te laat zou zijn gedaan. [appellant] stelt schade te hebben geleden in de vorm van reiskosten, tijd die met de voorbereiding en de toets gemoeid was en het afhouden van zaken omdat voortzetting van zijn praktijk niet zeker was. 3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:210) is de bestuursrechter alleen dan tot het beoordelen van rechtsvragen geroepen, als dit van betekenis is voor het geschil over een besluit van een bestuursorgaan.

Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis moet zijn. Belang bij het rechtsmiddel kan onder meer worden aangenomen, indien wordt gesteld dat ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming schade is geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen en dit tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt. 3.2. Met hetgeen [appellant] in hoger beroep over de door hem gestelde schade heeft aangevoerd, heeft hij tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden. [appellant] heeft daarom belang bij een beoordeling van de in beroep bestreden besluitvorming.

Gelet hierop kan de uitspraak van de rechtbank niet in stand blijven. Het betoog in hoger beroep slaagt in zoverre.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 21 maart 2017 beoordelen.

5. Het besluit van 21 maart 2017 behelst de beoordeling van een door [appellant] afgelegde toets. De vraag rijst of dit een besluit is als bedoeld in artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Na schriftelijke aankondiging is deze vraag ter zitting met partijen besproken. Mede in het belang van de rechtseenheid ziet de Afdeling aanleiding om uiteen te zetten hoe zij een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, vanaf heden beoordeelt.

6. Tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst kan, gelet op artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, geen beroep worden ingesteld. Gelet op artikel 7:1 van de Awb kan daartegen evenmin bezwaar worden gemaakt. Als toch bezwaar wordt gemaakt moet het bestuursorgaan dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaren en dient de bestuursrechter, indien het bestuursorgaan daarop niettemin inhoudelijk heeft beslist, te bepalen dat het bestuursorgaan dat bezwaar ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1418. Is bij wettelijk voorschrift tegen een besluit inhoudende de beoordeling van het kennen of kunnen als hiervoor bedoeld administratief beroep opengesteld, dan rijst de vraag of de bestuursrechter bevoegd is kennis te nemen van het besluit dat de administratieve beroepsinstantie op het bij hem ingestelde beroep heeft genomen. Als artikel 7:25 van de Awb op het administratieve beroep van toepassing is en de administratieve beroepsinstantie, voor zover deze het beroep ontvankelijk en gegrond acht, bevoegd is het bestreden besluit te vernietigen en in de plaats daarvan een nieuw besluit te nemen, dan is de besluitvorming op beroep zodanig vergelijkbaar met die in eerste instantie, dat het besluit op het administratief beroep, gelet op artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, van beroep bij de bestuursrechter is uitgesloten.

Deze zal zich, indien tegen een dergelijk besluit toch beroep bij hem is ingesteld, onbevoegd moeten verklaren van dat beroep kennis te nemen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF4735. In geval de besluitvorming over het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling en de beoordeling daarvan in administratief beroep in betekenende mate van elkaar verschillen, bijvoorbeeld omdat de administratieve beroepsinstantie, gelet op de voor de behandeling van het administratieve beroep geldende bepalingen, slechts mag beoordelen of het beroepen besluit is genomen in strijd met het recht en niet zelf in de zaak mag voorzien, is het besluit dat is genomen in administratief beroep niet gelijk te stellen met een besluit inhoudende de beoordeling van een kennen of kunnen als bedoeld in artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.

De bestuursrechter is in dat geval bevoegd van een beroep tegen een besluit van de administratieve beroepsinstantie kennis te nemen, maar kan dat besluit slechts toetsen aan voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb of enige andere wet in formele zin zijn gesteld. Die beoordeling kan geen betrekking hebben op de inhoud van het afgelegde examen of afgelegde toets. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA8158.

7. Het besluit van de examencommissie van 4 januari 2017 behoort tot de besluiten als bedoeld in artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. Tegen een dergelijk besluit kan, zo is in dit artikel bepaald, geen beroep worden ingesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb kan tegen een dergelijk besluit daarom evenmin bezwaar worden gemaakt. De examencommissie heeft het door [appellant] gemaakte bezwaar derhalve ten onrechte ontvankelijk geacht.

8. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting merkt de Afdeling nog op dat zij begrijpt dat de Nederlandse Orde van Advocaten advocaat-stagiair(e)s de mogelijkheid wil bieden een beoordeling van de examencommissie te doen toetsen. Het hiervoor overwogene staat er niet aan in de weg dat de Verordening op de advocatuur, buiten bezwaar of administratief beroep om, zou voorzien in de mogelijkheid om de examencommissie om een tweede beoordeling van een afgelegde toets te vragen.

9. Gelet op het hiervoor, onder 7, overwogene zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van de examencommissie van 21 maart 2017 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit zal wegens strijd met artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb worden vernietigd. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

10. De examencommissie dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 november 2017 in zaak nr. 17/1298; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van de examencommissie beroepsopleiding advocaten van 21 maart 2017, kenmerk EC-161029-13; V. verklaart het door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; VII. veroordeelt de examencommissie beroepsopleiding advocaten tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat de examencommissie beroepsopleiding advocaten aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier. w.g. Polak w.g. Baart voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018 799.