Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2018:2604 ECLI:NL:RVS:2018:2604 AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:2604 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2018:2604
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201805902/1/V3 en 201805902/2/V3. Datum uitspraak: 3 augustus 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 juli 2018 in zaak nr. NL18.11813 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:57 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2018:2604 · Raad van State: De aangevallen uitspraak is niet met toepassing van artikel 8:54 of artikel 8:57 van de Awb gedaan, zodat er geen wettelijk grondslag is voor het achterwege laten van een zitting. De grief slaagt.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:57 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:57 van de Awb
De aangevallen uitspraak is niet met toepassing van artikel 8:54 of artikel 8:57 van de Awb gedaan, zodat er geen wettelijk grondslag is voor het achterwege laten van een zitting.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201805902/1/V3 en 201805902/2/V3. Datum uitspraak: 3 augustus 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 juli 2018 in zaak nr. NL18.11813 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop Bij besluit van 22 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 10 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.A. Palm, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen 1. De vreemdeling klaagt dat de rechtbank ten onrechte een zitting achterwege heeft gelaten.

2. De aangevallen uitspraak is niet met toepassing van artikel 8:54 of artikel 8:57 van de Awb gedaan, zodat er geen wettelijk grondslag is voor het achterwege laten van een zitting. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 juli 2018 in zaak nr. NL18.11813; III. wijst de zaak naar de rechtbank terug; IV. wijst het verzoek af; V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier. w.g. Verheij w.g. Van Meurs-Heuvel lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2018 47.