Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2018:2485 ECLI:NL:RVS:2018:2485 AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:2485 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2018:2485
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201804822/1/V3. Datum uitspraak: 26 juli 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2018 in zaak nr. NL18.9907 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 18 mei 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 7 juni 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:2485 · Raad van State: Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 18 mei 2018 alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 18 mei 2018 tot 7 juni 2018, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:1593
201503491/1/V3. Datum uitspraak: 13 mei 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 april 2015 in zaak nr. 15/7263 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 5 april 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
ECLI:NL:RVS:2018:159
201706177/1/V3. Datum uitspraak: 16 januari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 juli 2017 in zaak nr. NL17.5439 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 18 juli 2017 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
ECLI:NL:RVS:2018:2484
201804821/1/V3. Datum uitspraak: 26 juli 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2018 in zaak nr. NL18.9906 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 18 mei 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 7 juni 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201804822/1/V3. Datum uitspraak: 26 juli 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2018 in zaak nr. NL18.9907 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 18 mei 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 7 juni 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft zij daarbij de Afdeling verzocht haar schadevergoeding toe te kennen. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De vreemdeling klaagt in haar enige grief onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het feit dat de staatssecretaris pas nadat hij de vrijheidsontnemende maatregel had opgelegd, heeft gemotiveerd waarom voor haar als Dublinclaimant een significant risico op onttrekking aan het toezicht bestaat, de maatregel niet onrechtmatig maakt.

Daarover voert zij aan dat uit de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1593, volgt dat dit een motiveringsgebrek is.

2. De staatssecretaris heeft in de vrijheidsontnemende maatregel zonder nadere motivering met het oog op het hiervoor bedoelde onttrekkingsrisico als enige gronden vermeld dat de vreemdeling Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en dat zij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Hij heeft die gronden en het daaruit voortvloeiende onttrekkingsrisico alsnog gemotiveerd in het aanvullend proces-verbaal van 19 mei 2018.

3. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 16 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:159, heeft overwogen, volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2014, Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320, dat de voor een vrijheidsontnemende maatregel vereiste motivering niet pas na de oplegging van de maatregel kenbaar mag worden gemaakt. De rechtbank heeft in het grensbewakingsbelang en het feit dat de staatssecretaris om die reden geen lichter middel heeft toegepast, ten onrechte aanleiding gezien om te oordelen dat het toelaatbaar is dat de staatssecretaris de motivering in het aanvullend proces-verbaal heeft gegeven. De vreemdeling klaagt dan ook terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de maatregel, omdat deze niet is voorzien van een motivering, van aanvang af onrechtmatig is. De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 18 mei 2018 alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 18 mei 2018 tot 7 juni 2018, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

5. De Afdeling heeft al in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2018:2484, over de vergoeding van de proceskosten geoordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2018 in zaak nr. NL18.9907; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond; IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 1.600,00 (zegge: zestienhonderd euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State. Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier. w.g. Eck w.g. Nienhuis voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018 371-848.