Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2018:2468 ECLI:NL:RVS:2018:2468 AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:2468 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2018:2468
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201805341/1/V2 en 201805341/2/V2. Datum uitspraak: 18 juli 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 31 mei 2018 in zaken nrs.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2018:2468 · Raad van State: Datum uitspraak: 18 juli 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 31 mei 2018 in zaken nrs.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201805341/1/V2 en 201805341/2/V2. Datum uitspraak: 18 juli 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 31 mei 2018 in zaken nrs.

NL18.4871, NL18.4866, NL18.4870, NL18.4864, NL18.4867 en NL18.4863 in het geding tussen: [de vreemdeling] en anderen, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij uitspraak van 31 mei 2018 heeft de rechtbank de beroepen van de vreemdelingen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gegrond verklaard, bepaald dat de staatssecretaris als gevolg hiervan een dwangsom van € 7.560,00 heeft verbeurd en bepaald dat de staatssecretaris binnen twee weken nadat de uitspraak is verzonden alsnog een besluit op de aanvragen bekend maakt.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Voorts heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De aangevallen uitspraak is een uitspraak na toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Hiertegen staat - anders dan onder de aangevallen uitspraak is vermeld - ingevolge artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb geen hoger beroep open, maar verzet, als bedoeld in artikel 8:55, eerste lid, van de Awb.

2. De Afdeling is kennelijk onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de Afdeling onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen; II. wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. w.g. Troostwijk w.g. Prins voorzieningenrechter griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2018 393.