Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2018:1428 ECLI:NL:RVS:2018:1428 AI generated

ECLI:NL:RVS:2018:1428 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2018:1428
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201802687/2/A1. Datum uitspraak: 1 mei 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [verzoeker], wonend te Moordrecht, gemeente Zuidplas, verzoeker, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 8 maart 2018 in zaak nrs. 17/8354 en 17/8370 in het geding tussen: [verzoeker] en het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2018:1428 · Raad van State: 201802687/2/A1. Datum uitspraak: 1 mei 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [verzoeker], wonend te Moordrecht, gemeente Zuidplas, verzoeker, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 8 maart 2018 in zaak nrs. 17/8354 en 17/8370 in het geding tussen: [verzoeker] en het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201802687/2/A1. Datum uitspraak: 1 mei 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [verzoeker], wonend te Moordrecht, gemeente Zuidplas, verzoeker, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 8 maart 2018 in zaak nrs. 17/8354 en 17/8370 in het geding tussen: [verzoeker] en het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas.

Openbare zitting gehouden op 24 april 2018 om 13:30 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter griffier: mr. W.D. Kamphorst-Timmer Verschenen: [verzoeker]; Het college, vertegenwoordigd door mr. R. Oosterhuis en mr. E.G. Schuurman. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 8 maart 2018 van de rechtbank. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas van 28 maart 2018, kenmerk 2018081387, van 13 december 2017, kenmerk 2017300664, van 15 november 2017, kenmerk U17.006623, en van 7 april 2017, kenmerk 2017021774;

II. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) vergoedt. Daartoe overweegt hij het volgende. De voorzieningenrechter acht de belangen van [verzoeker] bij het treffen van de gevraagde voorziening zwaarwegend, omdat [verzoeker] en zijn gezin de recreatiewoning reeds lange tijd als hoofdverblijf gebruiken. Het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening brengt geen onomkeerbare gevolgen met zich.

Voorts is niet gebleken dat de belangen van het college bij handhaving van de door hem gestelde begunstigingstermijn tot 15 mei 2018 zodanig dringend zijn dat de behandeling van de bodemzaak niet kan worden afgewacht. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat er nog andere handhavingstrajecten lopen. Verder betrekt de voorzieningenrechter bij zijn oordeel dat in afwachting van de behandeling van de bodemzaak door [verzoeker] en het college nader onderzoek kan worden gedaan over het beroep van [verzoeker] op het gelijkheidsbeginsel. w.g.

Sevenster w.g. Kamphorst-Timmer voorzieningenrechter griffier 776.