Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2017:979 ECLI:NL:RVS:2017:979 AI generated

ECLI:NL:RVS:2017:979 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2017:979
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201700313/1/A3. Datum uitspraak: 19 april 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats] tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 november 2016 in zaak nr. 16/322 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Heerlen. Procesverloop Bij besluit van 28 september 2015 heeft de burgemeester [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan [locatie 1] te [woonplaats] vanaf 6 oktober 2015 voor een duur van 12 maanden te sluiten. Bij besluit van 12 januari 2016 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de sluiting bepaald op 2 november 2015.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2017:979 · Raad van State: Volgens paragraaf 3.2 van het Handhavingsbeleid wordt een locatie, die onder het bereik van artikel 13b van de Opiumwet valt, zonder waarschuwing voor de duur van 12 maanden gesloten indien wordt geconstateerd dat vanuit die locatie verkoop, aflevering of verstrekking van middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet, harddrugs, plaatsvindt of deze middelen daartoe aanwezig zijn. Het hoger beroep 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft kunnen toepassen.

Keywords

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:2840
201507715/1/A3. Datum uitspraak: 26 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de burgemeester van Breda, appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: rechtbank) van 27 augustus 2015 in zaak nrs. 15/5138 en 15/5139 in het geding tussen: [wederpartij] en de burgemeester. Procesverloop Bij besluit van 3 februari 2015 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] in Breda (hierna: de woning) met ingang van 17 februari 2015 voor de duur van drie maanden te sluiten en gesloten te houden.
ECLI:NL:RVS:2015:130
201405430/1/A3. Datum uitspraak: 21 januari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de burgemeester van Emmen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 juni 2014 in zaak nr. 13/812 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te Nieuw-Dordrecht, gemeente Emmen, en de burgemeester. Procesverloop Bij besluit van 23 mei 2013 heeft de burgemeester [wederpartij] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan [locatie] te Nieuw-Dordrecht (hierna: de woning) met ingang van 27 mei 2013 te sluiten voor de duur van drie maanden.
ECLI:NL:RVS:2014:4209
201403783/1/A3. Datum uitspraak: 19 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 maart 2014 in zaak nr. 13/2288 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Heerlen. Procesverloop Bij besluit van 26 maart 2013 heeft de burgemeester [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan het [locatie] te Heerlen met ingang van 3 april 2013 te sluiten voor de duur van twaalf maanden. Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2017:978
201602727/1/A3. Datum uitspraak: 19 april 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 11 maart 2016 in zaken nrs. 16/417 en 16/321 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Heerlen. Procesverloop Bij besluit 28 september 2015 heeft de burgemeester [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan [locatie 1] te [woonplaats] voor een duur van 12 maanden, van 6 oktober 2015 tot 6 oktober 2016, te sluiten.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201700313/1/A3. Datum uitspraak: 19 april 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats] tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 november 2016 in zaak nr. 16/322 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Heerlen. Procesverloop Bij besluit van 28 september 2015 heeft de burgemeester [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan [locatie 1] te [woonplaats] vanaf 6 oktober 2015 voor een duur van 12 maanden te sluiten. Bij besluit van 12 januari 2016 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de sluiting bepaald op 2 november 2015.

Bij uitspraak van 30 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. [appellant] huurde de woning aan [locatie 1] te [woonplaats] ten tijde van de sluiting.

Op 2 september 2015 heeft de politie in de woning tijdens een doorzoeking handelshoeveelheden harddrugs aangetroffen. Bij besluit van 28 september 2015 heeft de burgemeester [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan [locatie 1]vanaf 6 oktober 2015 voor een duur van 12 maanden te sluiten. [appellant] verbleef ten tijde van dit besluit in detentie. Op 2 november 2015 is de woning feitelijk van gemeentewege gesloten. De aangevallen uitspraak 2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was [appellant] te gelasten de woning voor een duur van 12 maanden te sluiten en dat de sluiting in overeenstemming is met de beleidsregels voor de toepassing van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet.

Wettelijk kader 3. Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet luidt: "De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is." Ter uitvoering van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft de burgemeester beleidsregels vastgesteld die zijn neergelegd in het "Handhavingsbeleid drugs- en overige (woon)overlast".

Volgens paragraaf 3.2 van het Handhavingsbeleid wordt een locatie, die onder het bereik van artikel 13b van de Opiumwet valt, zonder waarschuwing voor de duur van 12 maanden gesloten indien wordt geconstateerd dat vanuit die locatie verkoop, aflevering of verstrekking van middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet, harddrugs, plaatsvindt of deze middelen daartoe aanwezig zijn. Het hoger beroep 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft kunnen toepassen.

Daartoe voert hij aan dat de burgemeester onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van zijn twee minderjarige kinderen. Dat de kinderen na sluiting van de woning gescheiden van hem zouden leven en of de sluiting een dergelijke inbreuk rechtvaardigt, heeft de burgemeester ten onrechte niet bij de last tot sluiting betrokken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840, betoogt [appellant] dat dit wel had gemoeten. 4.1. Uit een proces-verbaal van de politie, Eenheid Limburg, van 3 september 2015 volgt dat op 2 september 2015 tijdens een doorzoeking van de woning aan de [locatie 1] op amfetamine lijkende stoffen zijn aangetroffen met een gewicht van ongeveer 1410 gram en op cocaïne lijkende stoffen met een gewicht van 3,5 gram.

Uit een proces-verbaal van de politie, Eenheid Limburg, van 3 september 2015 volgt dat deze stoffen zijn onderworpen aan een indicatieve test. Op basis van deze test is geconcludeerd dat het om onderscheidenlijk amfetamine en cocaïne gaat. Ook is in het proces-verbaal van 3 september 2015 vermeld dat in de woning plastic zakjes zijn aangetroffen met op versnijdingsmiddel lijkende stoffen en seal-verpakkingen. 4.2. Niet in geschil dat in de woning aan de [locatie 1] een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen die groter is dan de normale gebruikershoeveelheid.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:130) is voor het ontstaan van de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen niet vereist dat daadwerkelijk harddrugs in de woning zijn verhandeld. Uit het woord "daartoe" in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet volgt dat de burgemeester bevoegd is een woning op grond van die bepaling te sluiten indien daarin een handelshoeveelheid drugs, die geacht wordt te zijn bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking, wordt aangetroffen. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet (Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8, en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2) is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel.

Van dit uitgangspunt mag in ernstige gevallen worden afgeweken. Gelet op de omvang van de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in de woning aan de [locatie 1] heeft de rechtbank terecht in navolging van de burgemeester een ernstig geval mogen aannemen. De burgemeester heeft de woning overeenkomstig paragraaf 3.2 van het Handhavingsbeleid gesloten voor een duur van 12 maanden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4209, is het beleid, zoals neergelegd in paragraaf 3.2 van het Handhavingsbeleid niet onredelijk.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het handelen overeenkomstig het Handhavingsbeleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het Handhavingsbeleid te dienen doelen. De burgemeester heeft in aanmerking genomen dat de minderjarige kinderen niet in zijn woning aan de [locatie 1 ]verbleven, maar bij hun moeder in de woning aan de [locatie 2]. Voor zover [appellant] stelt dat deze woning eveneens met toepassing van de bevoegdheid van artikel 13b, van eerste lid, van de Opiumwet is gesloten, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar de uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2017:978, dat de kinderen na de sluiting van die woning zouden worden opgevangen door hun grootouders en dat is gebleken dat [appellant] zijn kinderen niet door de week, maar alleen in de weekeinden mag ontmoeten.

De sluiting van de woning aan de [locatie 1] heeft in deze omstandigheden geen verandering gebracht. Het betoog faalt. Slotsom 5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier. w.g. Borman w.g. Man voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2017 629.