Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2017:718 ECLI:NL:RVS:2017:718 AI generated

ECLI:NL:RVS:2017:718 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2017:718
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201702129/1/A2. Datum uitspraak: 14 maart 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 7 maart 2017 heeft het college het verzoek van [appellante] om als kiesgerechtigde voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal te worden geregistreerd, afgewezen. Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld. De Kiesraad heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2017:718 · Raad van State: De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2017. [appellante] en het college zijn niet ter zitting verschenen. Ter zitting is de Kiesraad, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord. Overwegingen 1. [appellante] is ingevolge artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht voor het door haar ingestelde beroep griffierecht verschuldigd. Een beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Keywords

AI generated
artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht
[appellante] is ingevolge artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht voor het door haar ingestelde beroep griffierecht verschuldigd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201702129/1/A2. Datum uitspraak: 14 maart 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 7 maart 2017 heeft het college het verzoek van [appellante] om als kiesgerechtigde voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal te worden geregistreerd, afgewezen. Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld. De Kiesraad heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2017. [appellante] en het college zijn niet ter zitting verschenen. Ter zitting is de Kiesraad, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord. Overwegingen 1. [appellante] is ingevolge artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht voor het door haar ingestelde beroep griffierecht verschuldigd. Een beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel D 9, tweede lid, van de Kieswet kan de voorzitter een kortere termijn stellen waarbinnen de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden. 2. [appellante] is bij brief van 10 maart 2017, diezelfde dag per e-mail verzonden, op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen. In die brief is voorts vermeld dat de termijn voor het voldoen van het griffierecht is gesteld op 13 maart 2017 om 12:00 uur, zijnde het tijdstip van aanvang van de zitting. Het bedrag is niet binnen de gestelde termijn op de rekening van de Raad van State bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State betaald.

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellante] in verzuim is geweest.

3. Het beroep is niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier. w.g. Polak w.g. Rijsdijk voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2017 705.