Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2017:2720 ECLI:NL:RVS:2017:2720 AI generated

ECLI:NL:RVS:2017:2720 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2017:2720
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201703248/2/A1. Datum uitspraak: 4 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) van [verzoeker], wonend te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug, hangende zijn beroep tegen het op 27 juli 2017 verzonden besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug en hangende de hoger beroepen van: 1. [appellant], wonend te [woonplaats], 2. het college, appellanten, tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 22 februari 2017 in zaak nrs. 17/76 en 17/78 in het geding tussen: [verzoeker], en het college.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2017:2720 · Raad van State: Openbare zitting gehouden op 4 oktober 2017 om 10:45 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter griffier: mr. J.A.A. van Roessel Verschenen: Het college, vertegenwoordigd door E.T.E. Kemperman en A.V. van der Wal; [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn. Beslissing wijst het verzoek af. Gronden • [verzoeker] legt aan het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ten grondslag dat bij gegrondverklaring van zijn beroep de reeds gerealiseerde werkzaamheden slechts tegen extreem hoge kosten ongedaan kunnen worden gemaakt.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201703248/2/A1. Datum uitspraak: 4 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) van [verzoeker], wonend te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug, hangende zijn beroep tegen het op 27 juli 2017 verzonden besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug en hangende de hoger beroepen van: 1. [appellant], wonend te [woonplaats], 2. het college, appellanten, tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 22 februari 2017 in zaak nrs. 17/76 en 17/78 in het geding tussen: [verzoeker], en het college.

Openbare zitting gehouden op 4 oktober 2017 om 10:45 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter griffier: mr. J.A.A. van Roessel Verschenen: Het college, vertegenwoordigd door E.T.E. Kemperman en A.V. van der Wal; [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn. Beslissing wijst het verzoek af. Gronden • [verzoeker] legt aan het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ten grondslag dat bij gegrondverklaring van zijn beroep de reeds gerealiseerde werkzaamheden slechts tegen extreem hoge kosten ongedaan kunnen worden gemaakt.

Deze omstandigheid, wat hier verder van zij, rechtvaardigt het treffen van een voorlopige voorziening niet. Het is aan vergunninghouder [appellant] om te beslissen of hij het financiële risico wil nemen dat gebruikmaking van de vergunning in dit stadium van de procedure voor hem meebrengt. • Naar voorlopig oordeel heeft het college de vergunning mogen verlenen, met name gelet op de adviezen van de Monumentencommissie Mooisticht en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. • Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. w.g. Borman w.g.

Van Roessel voorzieningenrechter griffier 457.