Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2017:2142 ECLI:NL:RVS:2017:2142 AI generated

ECLI:NL:RVS:2017:2142 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2017:2142
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201604101/1/A3. Datum uitspraak: 9 augustus 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], wonend te [woonplaats], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 april 2016 in zaken nrs. 15/8074 en 15/8075 op het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)). Procesverloop Bij besluiten van 14 juli 2015 en 12 augustus 2015 heeft de minister onderscheidenlijk een verzoek van [appellant B] en een verzoek van [appellant A] buiten behandeling gesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 7:18 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2017:2142 · Raad van State: Uit de verzoeken blijkt dat deze zijn ingediend in verband met een opgelegde dan wel op te leggen verkeersboete. Kennelijk zijn de documenten opgevraagd om een beroep tegen een boetebeschikking te kunnen motiveren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1623 en 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2446 en ECLI:NL:RVS:2015:2447), moet gelet op de ruime kennis en ervaring van [gemachtigde] ervan worden uitgegaan dat hij ermee bekend was dat hij de gevraagde documenten op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb en de artikelen 11, vierde lid en 19, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: de Wahv) had kunnen opvragen.

Keywords

AI generated
artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht artikel 7:18 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht
15/8074 en 15/8075 op het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)).
artikel 7:18 van de Awb
Voor zover is aangevoerd dat met een beroep op artikel 7:18 van de Awb niet alle verlangde stukken die nodig zijn om de beschikking te kunnen aanvechten zijn te verkrijgen, doet dit niet aan het voorgaande af.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:1585
201506049/1/A3. Datum uitspraak: 8 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de korpschef van politie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 juni 2015 in zaak nr. 15/165 in het geding tussen: [wederpartij A] en [wederpartij B] en de korpschef. Procesverloop Bij brief van 16 september 2014 heeft de korpschef een beslissing genomen op een verzoek van [wederpartij A] om openbaarmaking van documenten. [wederpartij A] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 18 december 2014 heeft de korpschef een beslissing genomen op een verzoek van [wederpartij B] om openbaarmaking van documenten. [wederpartij B] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:RVS:2014:4129
201311752/1/A3. Datum uitspraak: 19 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013 in zaak nr. 13/4146 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2013 heeft de minister een door [appellante] ingediend verzoek om openbaarmaking van stukken betreffende een aan haar opgelegde verkeersboete, geweigerd te behandelen. [appellante] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:RVS:2015:1623
201402059/1/A3. Datum uitspraak: 27 mei 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 januari 2014 in zaak nr. 12/3111 in het geding tussen: [verzoeker], wonend te [woonplaats], en de minister. Procesverloop [verzoeker] heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van 2 maart 2012 om openbaarmaking van stukken betreffende een verkeersboete. Bij de uitspraak van 24 januari 2014 heeft de rechtbank het beroep dat door [verzoeker] is ingesteld tegen het niet tijdig door de minister nemen van een besluit op het verzoek gegrond verklaard, de verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1.260,00 en bepaald dat de minister aan [verzoeker] de wettelijke rente over € 1.260,00 verschuldigd is met ingang van 7 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.
ECLI:NL:RVS:2015:2446
201501547/1/A3. Datum uitspraak: 5 augustus 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 januari 2015 in zaak nr. 14/4423 in het geding tussen: [wederpartij] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de minister krachtens de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) een document aan [wederpartij] verstrekt. Bij besluit van 14 juli 2014 heeft de minister het besluit van 11 maart 2014 ingetrokken en het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2015:2447
201501549/1/A3. Datum uitspraak: 5 augustus 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 januari 2015 in zaak nr. 14/4424 in het geding tussen: [wederpartij] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de minister krachtens de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) een document aan [wederpartij] verstrekt. Bij besluit van 14 juli 2014 heeft de minister het besluit van 11 maart 2014 ingetrokken en het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2016:157
201311805/1/A3. Datum uitspraak: 27 januari 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013 in de zaken nrs. 13/3406, 13/3407 en 13/4945 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2013 heeft de minister de verzoeken om openbaarmaking van [appellante] buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 18 april 2013 heeft de minister dat besluit herzien en alsnog een aantal documenten openbaar gemaakt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201604101/1/A3. Datum uitspraak: 9 augustus 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], wonend te [woonplaats], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 april 2016 in zaken nrs. 15/8074 en 15/8075 op het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)). Procesverloop Bij besluiten van 14 juli 2015 en 12 augustus 2015 heeft de minister onderscheidenlijk een verzoek van [appellant B] en een verzoek van [appellant A] buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 1 oktober 2015 heeft de minister het door [appellant B] tegen het besluit van 14 juli 2015 en het door [appellant A] tegen het besluit van 12 augustus 2015 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dat besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld. Bij besluit van 17 maart 2016 heeft de minister het besluit van 1 oktober 2015 herzien, het bezwaar van [appellant A] en het bezwaar van [appellant B] gegrond verklaard, de besluiten van 14 juli 2015 en 12 augustus 2015 herroepen en documenten verstrekt. [appellant A] en [appellant B] hebben het beroep ingetrokken en verzocht om de minister in de kosten van het beroep te veroordelen.

Bij uitspraak van 21 april 2016 heeft de rechtbank dat verzoek toegewezen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant A] en [appellant B] hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2017, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. H.O. Nieuwpoort en mr. S. el Hankouri, is verschenen. Overwegingen 1. In de onderscheiden verzoeken heeft [gemachtigde], gemachtigde van [appellant A] en [appellant B], op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) aan de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (hierna: de CVOM) verzocht om "alle documenten die betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid, zijnde de beschikking met CJIB-nummer (...)".

2. In zijn schriftelijke uiteenzetting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat [gemachtigde] misbruik van recht maakt en dat dat aan [appellant A] en [appellant B] moet worden toegerekend. Het door hen ingestelde hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk, aldus de minister.

3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1585), laat artikel 3, derde lid, van de Wob, ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. 3.1. [gemachtigde] voert op persoonlijke titel of als rechtsbijstandverlener een groot aantal procedures betreffende verkeersboetes, informatieverzoeken met beroep op de Wob en het niet-tijdig nemen van besluiten.

In een groot aantal uitspraken van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1623, 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2446 en ECLI:NL:RVS:2015:2447, 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:157, 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1102, 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1585, 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1884 en ECLI:NL:RVS:2016:1885, 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1950 en ECLI:NL:RVS:2016:1957, 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2050 en 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2312) betreffende soortgelijke Wob-procedures als in deze zaak is geoordeeld dat misbruik is gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en een rechtsmiddel in te stellen.

Aan dat oordeel heeft de Afdeling in een aantal van die uitspraken onder meer ten grondslag gelegd dat [gemachtigde] als rechtsbijstandverlener veel procedures over Wob-verzoeken voert, waarbij hij veelvuldig gebruik maakt van zeer algemeen geformuleerde machtigingen. Van dergelijke machtigingen heeft hij ook in deze zaak gebruik gemaakt. Naar aanleiding van de verzoeken en in de bezwaarprocedures is [gemachtigde] gevraagd om specifiekere machtigingen over te leggen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Verder heeft de CVOM een veelvoud aan beroepsprocedures gevoerd waarbij dit bestuursorgaan een groot bedrag aan proceskosten aan [gemachtigde] heeft moeten betalen (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1885). 3.2.

Uit de verzoeken blijkt dat deze zijn ingediend in verband met een opgelegde dan wel op te leggen verkeersboete. Kennelijk zijn de documenten opgevraagd om een beroep tegen een boetebeschikking te kunnen motiveren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1623 en 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2446 en ECLI:NL:RVS:2015:2447), moet gelet op de ruime kennis en ervaring van [gemachtigde] ervan worden uitgegaan dat hij ermee bekend was dat hij de gevraagde documenten op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb en de artikelen 11, vierde lid en 19, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: de Wahv) had kunnen opvragen.

Gezien de kennis en ervaring van [gemachtigde] moet er tevens van worden uitgegaan dat hij ermee bekend was dat een op de Wob gebaseerd informatieverzoek, anders dan een verzoek op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of de artikelen 11, vierde lid en 19, vierde lid, van de Wahv ertoe kon leiden dat het aangezochte bestuursorgaan in geval van niet-tijdige besluitvorming aan de aanvrager een dwangsom of proceskostenvergoeding moet betalen. Dit wijst erop dat het een bewuste keuze is geweest de informatieverzoeken op de Wob te baseren. Verder is namens de minister ter zitting toegelicht dat de Wob-verzoeken voor, dan wel gelijktijdig met het administratief beroepschrift tegen de verkeersboete zijn ingediend.

Gezien het grote aantal procedures dat [gemachtigde] heeft gevoerd, wist hij of kon hij redelijkerwijs weten dat de CVOM toen nog niet over documenten betreffende de verkeersboete beschikte, omdat de CVOM die eerst na het instellen van administratief beroep ontvangt. Deze handelwijze duidt erop dat het niet zozeer om openbaarmaking van documenten te doen was, maar om het genereren van procedures om daarmee onder meer proceskostenvergoedingen te kunnen ontvangen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het procesgedrag van [gemachtigde] in deze zaak blijk geeft van handelingen waarvan hij geweten moeten hebben dat die een tijdige besluitvorming onnodig konden bemoeilijken.

De verzoeken zijn zeer algemeen en vaag geformuleerd, zodat het voor de minister niet mogelijk is om er volledig en adequaat op te kunnen beslissen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in voormelde uitspraak van 8 juni 2016, doet de vaagheid van de verzoeken afbreuk aan het doel waartoe zij naar gesteld zijn ingediend en maakt deze de op de verzoeken te nemen besluiten onnodig extra vatbaar voor discussie in bezwaar- en beroepsprocedures. Voor zover is aangevoerd dat met een beroep op artikel 7:18 van de Awb niet alle verlangde stukken die nodig zijn om de beschikking te kunnen aanvechten zijn te verkrijgen, doet dit niet aan het voorgaande af.

Zoals eerder overwogen in onder meer de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2856, maakt voor zover documenten een rol kunnen spelen bij de bestrijding van de opgelegde boete, dit deel uit van de beoordeling van de boete in administratief beroep of bij de bevoegde rechter en kan dit zo nodig in die procedure aan de orde worden gesteld. Ook het standpunt, dat het niet-verstrekken van de benodigde stukken voor het bestrijden van de verkeersboete in strijd is met het Unierecht of het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dient in die procedure te worden ingebracht en beoordeeld.

Voorts ziet de Wob op openbaarmaking voor een ieder, terwijl dit doel met de Wob-verzoeken, die zijn ingediend om een verkeersboete te kunnen bestrijden, niet is nagestreefd. 3.3. De minister heeft onbetwist gesteld dat [gemachtigde] op basis van ‘no cure no pay’ procedeert. Volgens de door [appellant A] en [appellant B] aan [gemachtigde] verstrekte machtigingen is hij bevoegd om namens hen bedragen aan te nemen "zoals vergoedingen voor proceskosten, griffierechten e.d., een en ander in de ruimste zin van het woord". Een dergelijke wijze van rechtsbijstandverlening heeft tot gevolg dat de rechtsbijstandverlener rechtstreeks gebaat is bij een veroordeling van het bestuursorgaan tot betaling van een proceskostenvergoeding aan zijn cliënten.

4. Uit het voorgaande volgt dat [gemachtigde] de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven zodanig, dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Hij heeft misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om hoger beroep in te stellen, nu dat niet los kan worden gezien van het doel waarmee hij de Wob heeft gebruikt. Zijn handelwijze moet aan [appellant A] en [appellant B] worden toegerekend, aangezien hij de betrokken handelingen namens hen heeft verricht en zij hem daartoe hebben gemachtigd.

5. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Noordhoek, griffier. w.g. Bijloos w.g. Noordhoek lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2017 819.