Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2017:1522 ECLI:NL:RVS:2017:1522 AI generated

ECLI:NL:RVS:2017:1522 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2017:1522
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201702512/2/R1. Datum uitspraak: 8 juni 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) in het geding tussen onder meer: de Vereniging van Eigenaren De Luwe Hoek (hierna: DLH), gevestigd te Den Burg, gemeente Texel, verzoekster, en de raad van de gemeente Texel, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 21 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied" vastgesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2017:1522 · Raad van State: Verder begrijpt de voorzieningenrechter het betoog van DLH aldus dat de toekenning van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve terreinen" leidt tot een aantasting van de groene omgeving en daarmee tot een onevenredige aantasting van het recreatieklimaat op de percelen [locaties 3]. Zoals reeds in de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2015 is overwogen, mocht op grond van het voorgaande plan op het perceel [locatie 1] een zomerhuis van maximaal 70 m² worden opgericht. Op grond van het voorliggende bestemmingsplan, in samenhang bezien met artikel 37, lid 37.2.4, van de planregels van het moederplan, mogen op het perceel [locatie 1] binnen het bouwvlak zomerhuizen worden opgericht van 100 m² met een goothoogte van 3,5 meter en een bouwhoogte van 8 meter.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:1159
201309926/1/R1. Datum uitspraak: 15 april 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Den Hoorn, gemeente Texel, 2. [appellant sub 2], wonend te De Cocksdorp, gemeente Texel, 3. wijlen [appellant sub 3], voorheen wonend te De Cocksdorp, gemeente Texel, thans haar [rechtsopvolger], wonend te De Cocksdorp, gemeente Texel, 4. [appellante sub 4], gevestigd te De Cocksdorp, gemeente Texel, 5. [appellante sub 5], gevestigd te Den Burg, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Den Burg, 6. de vereniging Vereniging van Eigenaren de Luwe Hoek, gevestigd te Den Burg, gemeente Texel, 7. [appellant sub 7], wonend te Den Hoorn, gemeente Texel, 8. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], wonend te Den Burg, gemeente Texel, 9. [appellante sub 9] en anderen, wonend onderscheidenlijk gevestigd te De Koog, Den Hoorn, De Cocksdorp en Den Burg, gemeente Texel, 10. [appellante sub 10] en anderen, wonend onderscheidenlijk gevestigd te Oosterend, gemeente Texel, 11. [appellant sub 11] en anderen, allen wonend te Den Hoorn, gemeente Texel, 12. [appellant sub 12], wonend te De Waal, gemeente Texel, 13. [appellant sub 13A] en [appellante sub 13B], wonend te De Waal, gemeente Texel (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 13]), 14. [appellant sub 14], wonend te Oosterend, gemeente Texel, 15. [appellant sub 15A] en [appellant sub 15B], wonend te De Koog, gemeente Texel, 16. de naamloze vennootschap Exploitatiemaatschappij de Krim N.V., gevestigd te De Cocksdorp, gemeente Texel, 17. [appellant sub 17], wonend te Den Hoorn, gemeente Texel, 18. [appellante sub 18], gevestigd te De Waal, gemeente Texel, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beide wonend te De Waal, en anderen, 19. [appellant sub 19], wonend te Oosterend, gemeente Texel, 20. [appellante sub 20], gevestigd te De Koog, waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], allen wonend te De Koog, en anderen, 21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Villapark de Ruyterplaats B.V., gevestigd te Den Burg, gemeente Texel, en [appellant sub 21A], wonend te Den Burg, gemeente Texel, 22. [appellant sub 22A] en [appellante sub 22B], wonend te De Waal, gemeente Texel (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 22]), 23. de vereniging 10 voor Texel en de vereniging Landschapszorg Texel, beide gevestigd te Texel, 24. [appellante sub 24], wonend te [woonplaats], thans de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Waddengarnaal Texel B.V., gevestigd te Oudeschild, gemeente Texel, 25. [appellant sub 25], wonend te Dronten, 26. [appellant sub 26A] en [appellante sub 26B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 26]), beiden wonend te Den Burg, gemeente Texel, 27. [appellant sub 27], wonend te De Koog, gemeente Texel, 28. [appellant sub 28A] en [appellant sub 28B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 28]), beiden wonend te De Cocksdorp, gemeente Texel, 29. [appellant sub 29], wonend te Den Hoorn, gemeente Texel, 30. [appellant sub 30], wonend te Amstelveen, 31. [appellant sub 31A] en [appellant sub 31B], wonend te [woonplaatsen], 32. [appellant sub 32], wonend te Den Hoorn, gemeente Texel, 33. [appellante sub 33], gevestigd te Oosterend, gemeente Texel, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Oosterend, gemeente Texel, 34. [appellant sub 34], wonend te Den Burg, gemeente Texel, en de raad van de gemeente Texel, verweerder.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201702512/2/R1. Datum uitspraak: 8 juni 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) in het geding tussen onder meer: de Vereniging van Eigenaren De Luwe Hoek (hierna: DLH), gevestigd te Den Burg, gemeente Texel, verzoekster, en de raad van de gemeente Texel, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 21 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer DLH beroep ingesteld. DLH heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 mei 2017, waar DLH, vertegenwoordigd door mr. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.H.D. Lindenbergh, is verschenen. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1159, waarbij gebreken zijn geconstateerd in het bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" (hierna: het moederplan), dat door de raad bij besluit van 12 juni 2013 is vastgesteld. Met het bestemmingsplan heeft de raad beoogd de door de Afdeling geconstateerde gebreken in het moederplan te herstellen.

3. DLH kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve terreinen" wat betreft het perceel [locatie 1]. Teneinde onomkeerbare gevolgen te voorkomen heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

4. De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van DLH aldus dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve terreinen" is toegekend. Over de door DLH gemaakte vergelijking met de recreatiewoning op het perceel [locatie 2] overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat het voorgaande bestemmingsplan en het voorvoorgaande bestemmingsplan voor het perceel [locatie 1] - anders dan bij het perceel [locatie 2] - voorzagen in een vergelijkbare recreatiebestemming als in het thans voorliggende plan.

Daarnaast is het perceel [locatie 2] solitair gelegen, in tegenstelling tot het perceel [locatie 1] dat grenst aan de percelen [locaties 3] van DLH waaraan - in het moederplan - eveneens de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve terreinen" is toegekend. Deze feiten en omstandigheden heeft DLH op zich niet bestreden. Hetgeen DLH heeft aangevoerd biedt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door DLH genoemde situatie op het perceel [locatie 2] niet overeenkomt met de situatie op het perceel [locatie 1].

5. Verder begrijpt de voorzieningenrechter het betoog van DLH aldus dat de toekenning van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve terreinen" leidt tot een aantasting van de groene omgeving en daarmee tot een onevenredige aantasting van het recreatieklimaat op de percelen [locaties 3]. Zoals reeds in de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2015 is overwogen, mocht op grond van het voorgaande plan op het perceel [locatie 1] een zomerhuis van maximaal 70 m² worden opgericht. Op grond van het voorliggende bestemmingsplan, in samenhang bezien met artikel 37, lid 37.2.4, van de planregels van het moederplan, mogen op het perceel [locatie 1] binnen het bouwvlak zomerhuizen worden opgericht van 100 m² met een goothoogte van 3,5 meter en een bouwhoogte van 8 meter.

Vast staat dat deze bouwmogelijkheden ook gelden voor de zomerhuizen op de percelen [locaties 3]. Gelet hierop alsmede de omstandigheid dat de afstand tussen het bouwvlak van het perceel [locatie 1] en het bouwvlak op de percelen [locaties 3] minimaal ongeveer 10 m bedraagt - een afstand die overeenkomst met de afstand die tussen een aantal bestaande zomerhuizen op de percelen [locaties 3] is aangehouden - ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond voor de verwachting dat dit betoog van DLH in de hoofdzaak zal slagen. Weliswaar is op het perceel [locatie 1] voorzien in een aanzienlijk bouwvlak van ongeveer 750 m², maar vanwege de toekenning van de aanduiding "maximum aantal recreatieve slaapplaatsen 5" aan het perceel is, gelet op artikel 37, lid 37.4.1, onder a, van de planregels van het moederplan het aantal slaapplaatsen beperkt en daarmee redelijkerwijs tevens het aantal zomerhuizen op het perceel.

6. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Koziolek-Stoof, griffier. w.g. Parkins-de Vin w.g. Koziolek-Stoof voorzieningenrechter griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2017 749.