Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2016:2944 ECLI:NL:RVS:2016:2944 AI generated

ECLI:NL:RVS:2016:2944 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2016:2944
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201507144/1/V2. Datum uitspraak: 28 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 3 september 2015 in zaken nrs. 15/14546 en 15/14549 in het geding tussen: [de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 30 juli 2015 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:69 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2016:2944 · Raad van State: In het tweede deel van zijn grief klaagt de staatssecretaris - subsidiair - dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij, nadat zij had vastgesteld dat de doopakte een novum is, had moeten overgaan tot toetsing van zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de door de vreemdelingen gestelde bekering. Hij verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:101, waarin zij heeft overwogen dat een doopakte in beginsel een novum is maar dat overlegging daarvan niet wegneemt dat de staatssecretaris van een vreemdeling mag verwachten dat hij toereikende verklaringen over de motieven voor en het proces van bekering aflegt.

Keywords

AI generated
artikel 8:69 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:69 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2008:BC7124
Procesverloop Bij besluit van 23 juni 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 24 augustus 2007, verzonden op 28 augustus 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 september 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
ECLI:NL:RVS:2016:1759
201509196/1/V2. Datum uitspraak: 22 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, van 14 december 2015 in zaak nr. 15/20740 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 23 november 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
ECLI:NL:RVS:2013:101
201101466/1/V2. Datum uitspraak: 27 juni 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 21 januari 2011 in zaken nrs. 10/44248 en 10/44247 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister voor Immigratie en Asiel. Procesverloop Bij besluit van 23 december 2010 heeft de minister, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201507144/1/V2. Datum uitspraak: 28 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 3 september 2015 in zaken nrs. 15/14546 en 15/14549 in het geding tussen: [de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 30 juli 2015 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.

Deze besluiten zijn aangehecht. Bij uitspraak van 3 september 2015 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. I.M. Hidding, advocaat te Nieuw-Amsterdam, hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De rechtbank heeft overwogen dat op de door de vreemdelingen ingestelde beroepen het ne bis-beoordelingskader van toepassing is (uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC7124). Zij heeft vervolgens ambtshalve vastgesteld dat de door de vreemdelingen overgelegde doopakte die betrekking heeft op hun minderjarige kind (hierna: de doopakte) een novum is, zodat rechterlijke toetsing van de besluiten gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de staatssecretaris de aanvragen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien de doopakte een novum is.

2. In het eerste deel van zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank in de overlegging van de doopakte ten onrechte grond heeft gezien om de besluiten van 30 juli 2015 te toetsen. 2.1. De Afdeling heeft bij uitspraak van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759, overwogen dat het door de rechtbank toegepaste ne bis-beoordelingskader met onmiddellijke ingang niet meer geldt en dat de bestuursrechter voortaan elk besluit op een opvolgende asielaanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Awb moet toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Reeds gelet op deze uitspraak heeft de rechtbank de besluiten terecht getoetst. Dat zij dit heeft gedaan nadat zij eerst ambtshalve heeft vastgesteld dat de doopakte een novum is, maakt dit niet anders. In zoverre faalt de grief.

3. In het tweede deel van zijn grief klaagt de staatssecretaris - subsidiair - dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij, nadat zij had vastgesteld dat de doopakte een novum is, had moeten overgaan tot toetsing van zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de door de vreemdelingen gestelde bekering. Hij verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:101, waarin zij heeft overwogen dat een doopakte in beginsel een novum is maar dat overlegging daarvan niet wegneemt dat de staatssecretaris van een vreemdeling mag verwachten dat hij toereikende verklaringen over de motieven voor en het proces van bekering aflegt.

Volgens de staatssecretaris heeft hij deugdelijk gemotiveerd waarom hij de gestelde bekering, ondanks de overlegging van de doopakte, nog immer ongeloofwaardig acht. 3.1. De Afdeling begrijpt het betoog van de staatssecretaris aldus dat hij betoogt dat, voor zover de overlegging van de doopakte in de weg staat aan niet-ontvankelijkverklaring van de aanvragen, de rechtbank had moeten bezien of aanleiding bestond het geschil definitief te beslechten. 3.2. In de besluiten heeft de staatssecretaris geen standpunt ingenomen over de vraag of hij de bekering van het minderjarige kind van de vreemdelingen geloofwaardig acht.

Verder is de staatssecretaris in beroep niet gemotiveerd ingegaan op de stelling van de vreemdelingen dat zij vóór de doop van hun minderjarige kind belijdenis hebben afgelegd en daarmee belijdend lid zijn geworden van de gereformeerde kerk. Reeds gelet op het vorenstaande faalt ook het tweede deel van de grief.

4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat de staatssecretaris opnieuw op de aanvragen van de vreemdelingen moet beslissen en dat hij, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, dient te motiveren of hij de door de vreemdelingen gestelde bekering geloofwaardig acht.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier. w.g. Lubberdink w.g. Fernandez voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2016 753.