Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2016:2858 ECLI:NL:RVS:2016:2858 AI generated

ECLI:NL:RVS:2016:2858 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2016:2858
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201508180/1/A3. Datum uitspraak: 2 november 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 oktober 2015 in zaak nr. 14/4531 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te [woonplaats], en de minister. Procesverloop Bij brief van 28 februari 2014 heeft de minister een verzoek van [wederpartij] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) afgewezen. Bij besluit van 7 augustus 2014 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en te kennen gegeven dat geen dwangsom is verschuldigd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2016:2858 · Raad van State: Dat [gemachtigde] dit misbruik veelvuldig maakt, wordt bevestigd door het in het verweerschrift van de minister genoemde bedrag van € 294.000,00 dat [gemachtigde] in de jaren 2013, 2014 en 2015 aan dwangsommen en proceskostenvergoedingen heeft ontvangen in verband met bij de CVOM ingediende Wob-verzoeken. Aan dat oordeel heeft de Afdeling in een aantal van die uitspraken onder meer ten grondslag gelegd dat [gemachtigde] als rechtsbijstandverlener veel procedures over Wob-verzoeken voert, waarbij hij veelvuldig gebruik maakt van zeer algemeen geformuleerde machtigingen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:4129
201311752/1/A3. Datum uitspraak: 19 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013 in zaak nr. 13/4146 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2013 heeft de minister een door [appellante] ingediend verzoek om openbaarmaking van stukken betreffende een aan haar opgelegde verkeersboete, geweigerd te behandelen. [appellante] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:RVS:2015:2446
201501547/1/A3. Datum uitspraak: 5 augustus 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 januari 2015 in zaak nr. 14/4423 in het geding tussen: [wederpartij] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de minister krachtens de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) een document aan [wederpartij] verstrekt. Bij besluit van 14 juli 2014 heeft de minister het besluit van 11 maart 2014 ingetrokken en het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2016:157
201311805/1/A3. Datum uitspraak: 27 januari 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013 in de zaken nrs. 13/3406, 13/3407 en 13/4945 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2013 heeft de minister de verzoeken om openbaarmaking van [appellante] buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 18 april 2013 heeft de minister dat besluit herzien en alsnog een aantal documenten openbaar gemaakt.
ECLI:NL:RVS:2016:1102
201504216/1/A3. Datum uitspraak: 26 april 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1A], wonend te [woonplaats], en [appellant sub 1B], wonend te [woonplaats], 2. het college van burgemeester en wethouders van Leiden, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 april 2015 in zaken nrs. 14/4861 en 12/4898 in het geding tussen: [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en het college. Procesverloop Bij brief van 28 januari 2014 heeft het college een verzoek van [appellant sub 1A] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2016:1585
201506049/1/A3. Datum uitspraak: 8 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de korpschef van politie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 juni 2015 in zaak nr. 15/165 in het geding tussen: [wederpartij A] en [wederpartij B] en de korpschef. Procesverloop Bij brief van 16 september 2014 heeft de korpschef een beslissing genomen op een verzoek van [wederpartij A] om openbaarmaking van documenten. [wederpartij A] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 18 december 2014 heeft de korpschef een beslissing genomen op een verzoek van [wederpartij B] om openbaarmaking van documenten. [wederpartij B] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:RVS:2016:1885
201508186/1/A3. Datum uitspraak: 6 juli 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de korpschef van politie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 oktober 2015 in zaak nr. 15/2791 in het geding tussen: [verzoeker], wonend te [woonplaats] en de korpschef. Procesverloop Bij besluit van 9 maart 2015 heeft de korpschef beslist op een verzoek van [verzoeker] om verstrekking van documenten krachtens de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob). Bij besluit van 22 april 2015 heeft de korpschef het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201508180/1/A3. Datum uitspraak: 2 november 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 oktober 2015 in zaak nr. 14/4531 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te [woonplaats], en de minister. Procesverloop Bij brief van 28 februari 2014 heeft de minister een verzoek van [wederpartij] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) afgewezen. Bij besluit van 7 augustus 2014 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en te kennen gegeven dat geen dwangsom is verschuldigd.

Bij uitspraak van 6 oktober 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep van [wederpartij] tegen het besluit 7 augustus 2014 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de door de minister verbeurde dwangsom op € 1.260,00 vastgesteld en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit, bepaald dat de minister met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt en bepaald dat de minister met ingang van 14 september 2014 aan [wederpartij] de wettelijke rente over de dwangsom is verschuldigd.

Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 16 november 2015 heeft de minister het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. [wederpartij] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2016, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J. Jansen en mr. H.O. Nieuwpoort, beiden werkzaam bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (hierna: de CVOM), is verschenen. Overwegingen 1. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in deze zaak niet van misbruik van recht is gebleken.

Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartij] en haar [gemachtigde] misbruik hebben gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen. 1.1. De Afdeling heeft in een groot aantal uitspraken (onder meer de uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2446, 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:157, 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1102, 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1585, 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1885 en ECLI:NL:RVS:2016:1884, 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1950 en ECLI:NL:RVS:2016:1957, en 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2312) ten aanzien van soortgelijke Wob-procedures als in deze zaak waarbij [gemachtigde] is betrokken, geoordeeld dat misbruik is gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en een rechtsmiddel in te stellen.

Dat [gemachtigde] dit misbruik veelvuldig maakt, wordt bevestigd door het in het verweerschrift van de minister genoemde bedrag van € 294.000,00 dat [gemachtigde] in de jaren 2013, 2014 en 2015 aan dwangsommen en proceskostenvergoedingen heeft ontvangen in verband met bij de CVOM ingediende Wob-verzoeken. Aan dat oordeel heeft de Afdeling in een aantal van die uitspraken onder meer ten grondslag gelegd dat [gemachtigde] als rechtsbijstandverlener veel procedures over Wob-verzoeken voert, waarbij hij veelvuldig gebruik maakt van zeer algemeen geformuleerde machtigingen.

Voorts heeft de Afdeling aan dat oordeel in een aantal van die uitspraken onder meer ten grondslag gelegd dat [gemachtigde] moet worden geacht te weten welk adres en faxnummer de CVOM voor Wob-gerelateerde correspondentie heeft aangewezen, maar dat hij dat adres en dat faxnummer desalniettemin niet heeft gebruikt, waardoor hij de snelle en zorgvuldige afhandeling van die stukken heeft bemoeilijkt. Die feiten en omstandigheden doen zich ook in deze zaak voor, die een soortgelijk bij de CVOM ingediend Wob-verzoek betreft. In het Wob-verzoek in deze zaak wordt voorts gevraagd om documenten in verband met een verkeersboete van een derde.

De Afdeling acht het ter zitting van de rechtbank vermelde doel van het verzoek, het verkrijgen van inzicht in het functioneren van de CVOM, niet aannemelijk. [persoon] heeft eerder een Wob-verzoek bij de CVOM ingediend waarin wordt gevraagd om documenten in verband met de hiervoor bedoelde verkeersboete, zodat [wederpartij] met die documenten bekend kan worden geacht. [wederpartij] is eigenaar en directeur van een juridisch adviesbureau waarvoor [persoon] als rechtsbijstandverlener werkzaam is. Beiden hebben ruime ervaring met procedures over Wob-verzoeken, hetgeen wordt bevestigd door de mededeling van de minister ter zitting dat [wederpartij] in de periode van 2012 tot en met 2015 112 Wob-verzoeken bij de CVOM heeft ingediend.

In plaats van het Wob-verzoek in deze zaak zelf in te dienen en zelf te procederen, of zich door [persoon] te laten bijstaan, heeft [wederpartij] er voor gekozen om [gemachtigde] in te schakelen. Op grond van al het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat in deze zaak sprake is van aan [wederpartij] toe te rekenen misbruik door haar gemachtigde [gemachtigde] van de wettelijke bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en beroep in te stellen. Het betoog slaagt.

2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover zij het beroep van [wederpartij] tegen het besluit 7 augustus 2014 gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd, de door de minister verbeurde dwangsom op € 1.260,00 heeft vastgesteld en heeft bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit, heeft bepaald dat de minister met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt en heeft bepaald dat de minister met ingang van 14 september 2014 aan [wederpartij] de wettelijke rente over de dwangsom is verschuldigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

3. Bij het besluit van 16 november 2015 heeft de minister, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Nu dit besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, is door de vernietiging van die uitspraak de grondslag aan dat besluit komen te ontvallen, zodat het reeds daarom dient te worden vernietigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 oktober 2015 in zaak nr. 14/4531, voor zover zij het beroep van [wederpartij] tegen het besluit 7 augustus 2014 gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd, de door de minister verbeurde dwangsom op € 1.260,00 heeft vastgesteld en heeft bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit, heeft bepaald dat de minister met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt en heeft bepaald dat de minister met ingang van 14 september 2014 aan [wederpartij] de wettelijke rente over de dwangsom is verschuldigd;

III. verklaart het beroep in die zaak in zoverre niet-ontvankelijk; IV. vernietigt het besluit van de minister van Veiligheid en Justitie van 16 november 2015, kenmerk BO3126. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier. w.g. Borman w.g. Hartsuiker voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2016 620.