Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2016:2728 ECLI:NL:RVS:2016:2728 AI generated

ECLI:NL:RVS:2016:2728 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2016:2728
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201507058/1/V2. Datum uitspraak: 13 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 augustus 2015 in zaak nr. 15/6652 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 29 september 2014 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2016:2728 · Raad van State: Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is verder niet van belang of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt niet in staat te zijn geweest een deel van zijn eerdere inkomsten uit arbeid te sparen. Evenmin is van belang of hij over een auto beschikt. Door deze omstandigheden toch van belang te achten en het beroep mede daarom niet-ontvankelijk te verklaren, heeft de rechtbank in strijd met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb gehandeld.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2015:282
Datum uitspraak: 13 februari 2015 13/1349 WWB-V Centrale Raad van Beroep Grote kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2013, 11/2617 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) College van burgemeester en wethouders van Den Helder (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 25 juni 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:HR:2015:354
20 februari 2015 nr. 14/05176 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg van 15 september 2014, nr. ROE 14/73 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Venray. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:RVS:2015:3650
201406310/1/V2. Datum uitspraak: 18 november 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 1 juli 2014 in zaak nr. 14/8687 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 2 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201507058/1/V2. Datum uitspraak: 13 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 augustus 2015 in zaak nr. 15/6652 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 29 september 2014 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij besluit van 2 maart 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij mondelinge uitspraak van 4 augustus 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De vreemdeling voert in de enige grief aan dat de rechtbank zijn beroep op betalingsonmacht ten aanzien van het voor de behandeling van het beroep verschuldigde griffierecht ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Hij betoogt daartoe dat hij illegaal in Nederland verblijft en daardoor geen inkomen uit arbeid kan generen, noch aanspraak kan maken op een socialezekerheidsuitkering. Handhaving van de verplichting tot het betalen van griffierecht leidt er dan ook toe dat hem geen effectief rechtsmiddel ten dienste staat. 1.1.

In de uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, heeft de Centrale Raad van Beroep (grote kamer) uiteengezet op welke wijze een beroep op betalingsonmacht door de bestuursrechter moet worden behandeld. Met het arrest van 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:354, heeft de Hoge Raad hierover op identieke wijze geoordeeld. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3650, is de uitspraak van de grote kamer voor de Afdeling leidend bij de beoordeling van beroepen op betalingsonmacht. 1.2. Ook bij de rechtbank was niet in geschil dat het de vreemdeling, ten tijde van belang wegens het ontbreken van een geldige verblijfsstatus niet was toegestaan in Nederland te werken en dat hij om die reden evenmin recht had op een socialezekerheidsuitkering.

Daarmee behoort hij tot de categorie rechtzoekenden waarvoor blijkens de uitspraak van de grote kamer het inkomen niet van belang is, maar slechts of hij over vermogen beschikt. 1.3. De vreemdeling heeft de rechtbank op 24 april 2014 verschillende stukken overgelegd ter staving van het beroep op betalingsonmacht, waaronder een eigen verklaring. Uit die verklaring blijkt dat hij ten tijde van belang niet over enig vermogen beschikte. Zoals volgt uit voormelde uitspraak van de grote kamer is deze eigen verklaring voldoende; de vreemdeling hoefde het ontbreken van vermogen verder niet te staven.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is verder niet van belang of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt niet in staat te zijn geweest een deel van zijn eerdere inkomsten uit arbeid te sparen. Evenmin is van belang of hij over een auto beschikt. Door deze omstandigheden toch van belang te achten en het beroep mede daarom niet-ontvankelijk te verklaren, heeft de rechtbank in strijd met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb gehandeld.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient over de vergoeding van deze kosten te beslissen. Omdat de griffier van de Afdeling de vreemdeling heeft bericht vooralsnog af te zien van het heffen van griffierecht, bestaat geen grond te bepalen dat de staatssecretaris aan de vreemdeling het griffierecht vergoedt. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 augustus 2015 in zaak nr. 15/6652;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug; IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist over de vergoeding van deze kosten. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier. w.g. Lubberdink w.g. Bosma voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2016 284.