Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2016:2669 ECLI:NL:RVS:2016:2669 AI generated

ECLI:NL:RVS:2016:2669 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2016:2669
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201601080/1/V2. Datum uitspraak: 29 september 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 januari 2016 in zaak nr. 15/15095 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 13 januari 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document "duurzaam verblijf burgers van de Unie", als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, afgewezen en vastgesteld dat zijn verblijfsrecht vanaf 17 maart 2010 van rechtswege is geëindigd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2016:2669 · Raad van State: Zoals volgt uit de uitspraak van de grote kamer hoeft de vreemdeling het ontbreken van vermogen niet nader met bewijsstukken te staven. Door onder deze omstandigheden het beroep toch niet-ontvankelijk te verklaren, heeft de rechtbank in strijd met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb gehandeld.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2015:282
Datum uitspraak: 13 februari 2015 13/1349 WWB-V Centrale Raad van Beroep Grote kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2013, 11/2617 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) College van burgemeester en wethouders van Den Helder (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 25 juni 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:HR:2015:354
20 februari 2015 nr. 14/05176 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg van 15 september 2014, nr. ROE 14/73 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Venray. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:RVS:2015:3650
201406310/1/V2. Datum uitspraak: 18 november 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 1 juli 2014 in zaak nr. 14/8687 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 2 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201601080/1/V2. Datum uitspraak: 29 september 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 januari 2016 in zaak nr. 15/15095 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 13 januari 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document "duurzaam verblijf burgers van de Unie", als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, afgewezen en vastgesteld dat zijn verblijfsrecht vanaf 17 maart 2010 van rechtswege is geëindigd.

Bij besluit van 29 juli 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 27 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L. Soedamah, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De vreemdeling voert in de grieven, in onderlinge samenhang bezien, aan dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. 1.1.

In de uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, heeft de Centrale Raad van Beroep (grote kamer) uiteengezet op welke wijze een beroep op betalingsonmacht door de bestuursrechter moet worden behandeld. Met het arrest van 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:354, heeft de Hoge Raad hierover op identieke wijze geoordeeld. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3650, is de uitspraak van de grote kamer voor de Afdeling leidend bij de beoordeling van beroepen op betalingsonmacht. 1.2. De gemachtigde van de vreemdeling heeft bij brief van 25 augustus 2015 (gedateerd op 25 juli 2015) het beroep op betalingsonmacht onderbouwd door het overleggen van een brief, waarin hij namens de vreemdeling vermeldt dat het de vreemdeling door het ontbreken van een geldige verblijfsstatus niet is toegestaan in Nederland te werken en dat hij om die reden geen recht heeft op een sociale zekerheidsuitkering.

De vreemdeling behoort daarmee tot de categorie rechtzoekenden waarvoor blijkens de uitspraak van de grote kamer het inkomen niet van belang is, maar slechts of hij over vermogen beschikt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is derhalve niet van belang dat de vreemdeling tot 13 januari 2015 rechtmatig in Nederland verbleef en of hij aannemelijk heeft gemaakt niet in staat te zijn geweest een deel van zijn eerdere inkomsten uit arbeid te sparen. In de brief van 25 augustus 2015 is tevens vermeld dat de vreemdeling alleenstaand is en geen vermogen heeft.

Zoals volgt uit de uitspraak van de grote kamer hoeft de vreemdeling het ontbreken van vermogen niet nader met bewijsstukken te staven. Door onder deze omstandigheden het beroep toch niet-ontvankelijk te verklaren, heeft de rechtbank in strijd met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb gehandeld.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van wat hiervoor is overwogen.

3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient over de vergoeding van deze kosten te beslissen. Omdat de griffier van de Afdeling de vreemdeling heeft bericht vooralsnog af te zien van het heffen van griffierecht, bestaat geen grond te bepalen dat de staatssecretaris aan de vreemdeling het griffierecht vergoedt. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 januari 2016 in zaak nr. 15/15095;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug; IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist over de vergoeding van deze kosten. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Lubberdink w.g. Van Loon voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2016 284.