Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2016:2387 ECLI:NL:RVS:2016:2387 AI generated

ECLI:NL:RVS:2016:2387 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2016:2387
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201509190/1/V2. Datum uitspraak: 26 augustus 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, appellanten, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), van 10 december 2015 in zaken nrs. 15/20379 en 15/20383 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:69 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2016:2387 · Raad van State: 201509190/1/V2. Datum uitspraak: 26 augustus 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, appellanten, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), van 10 december 2015 in zaken nrs. 15/20379 en 15/20383 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Keywords

AI generated
artikel 8:69 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:69 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2008:BC7124
Procesverloop Bij besluit van 23 juni 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 24 augustus 2007, verzonden op 28 augustus 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 september 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
ECLI:NL:RVS:2016:1759
201509196/1/V2. Datum uitspraak: 22 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, van 14 december 2015 in zaak nr. 15/20740 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 23 november 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201509190/1/V2. Datum uitspraak: 26 augustus 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, appellanten, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), van 10 december 2015 in zaken nrs. 15/20379 en 15/20383 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 18 november 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht. Bij uitspraak van 10 december 2015 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. E. Ceylan, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het hogerberoepschrift is aangehecht. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. In hun grief klagen de vreemdelingen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij wegens het ontbreken van nieuwe elementen of bevindingen niet toekomt aan toetsing van de besluiten. 1.1. De rechtbank heeft het zogenoemde ne bis-beoordelingskader toegepast (uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC7124). De Afdeling heeft bij uitspraak van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759, echter overwogen dat dit beoordelingskader niet langer geldt, en dat de bestuursrechter daarom voortaan in alle gevallen het besluit op een opvolgende asielaanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Awb moet toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden.

Aangezien de rechtbank dit niet heeft gedaan, slaagt de grief.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 december 2015 in zaken nrs. 15/20379 en 15/20383; III. wijst de zaak naar de rechtbank terug; IV. stelt de door de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. Fernandez griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2016 753.