ECLI:NL:RVS:2015:760 · Raad van State
Legislator summary
AI generated201406387/1/A3. Datum uitspraak: 11 maart 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], zich noemende "[persoon]", wonend te Rotterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2013 in zaak nr. 12/5190 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Procesverloop Bij besluit van 29 juni 2012 heeft het college het verzoek van [appellant], zich noemende "[persoon]" om zijn gegevens in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen, afgewezen. Bij besluit van 22 oktober 2012 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:RVS:2015:760 · Raad van State: 201406387/1/A3. Datum uitspraak: 11 maart 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], zich noemende "[persoon]", wonend te Rotterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2013 in zaak nr. 12/5190 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Procesverloop Bij besluit van 29 juni 2012 heeft het college het verzoek van [appellant], zich noemende "[persoon]" om zijn gegevens in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen, afgewezen. Bij besluit van 22 oktober 2012 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Full text
201406387/1/A3. Datum uitspraak: 11 maart 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], zich noemende "[persoon]", wonend te Rotterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2013 in zaak nr. 12/5190 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Procesverloop Bij besluit van 29 juni 2012 heeft het college het verzoek van [appellant], zich noemende "[persoon]" om zijn gegevens in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen, afgewezen. Bij besluit van 22 oktober 2012 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 juni 2013 heeft de rechtbank het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2015, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht, is verschenen. Overwegingen 1. Appellant heeft zijn stelling dat de uitspraak van de rechtbank in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat het college bij een afweging van alle in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid zijn verzoek kon afwijzen op geen enkele wijze gemotiveerd, ook niet nadat hij daartoe door de Afdeling uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld.
Gelet hierop bestaat geen aanleiding te oordelen dat uit hetgeen appellant heeft aangevoerd zou moeten worden geconcludeerd dat de rechtbank niet terecht of op onjuiste gronden het beroep van appellant ongegrond heeft verklaard. Hetgeen appellant ter zitting naar voren heeft gebracht, geeft geen aanleiding hierover anders te oordelen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier. w.g. Van Altena w.g. Klein lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2015 176-818.