Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2015:354 ECLI:NL:RVS:2015:354 AI generated

ECLI:NL:RVS:2015:354 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2015:354
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201403000/1/V3. Datum uitspraak: 6 februari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 maart 2014 in zaak nr. 13/18987 in het geding tussen: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 8 juli 2013 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2015:354 · Raad van State: 201403000/1/V3. Datum uitspraak: 6 februari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 maart 2014 in zaak nr. 13/18987 in het geding tussen: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 8 juli 2013 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201403000/1/V3. Datum uitspraak: 6 februari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 maart 2014 in zaak nr. 13/18987 in het geding tussen: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 8 juli 2013 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 14 maart 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. 1.1. Uit een door de staatssecretaris overgelegde, door de vreemdeling ondertekende, vertrekverklaring blijkt dat de vreemdeling op 22 mei 2014 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vanuit Nederland is vertrokken naar haar land van herkomst, Iran.

Uit de vertrekverklaring blijkt eveneens dat de vreemdeling bij vertrek op Schiphol een verklaring heeft ondertekend dat zij nog lopende verblijfsrechtelijke procedures intrekt. 1.2. Nu de staatssecretaris gelet op het voormelde niet meer gehouden is een nieuw besluit te nemen, hebben de door de staatssecretaris in het hogerberoepschrift bestreden overwegingen van de rechtbank in deze zaak geen betekenis meer. De staatssecretaris heeft om die reden geen belang meer bij een beoordeling van zijn grieven.

2. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier. w.g. Lubberdink w.g. Verbeek lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2015 574-796.