Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2014:4605 ECLI:NL:RVS:2014:4605 AI generated

ECLI:NL:RVS:2014:4605 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2014:4605
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201404977/1/V2. Datum uitspraak: 11 december 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 mei 2014 in zaken nrs. 13/25558 en 13/25559 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor haar minderjarig kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 1 oktober 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2014:4605 · Raad van State: 201404977/1/V2. Datum uitspraak: 11 december 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 mei 2014 in zaken nrs. 13/25558 en 13/25559 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor haar minderjarig kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 1 oktober 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201404977/1/V2. Datum uitspraak: 11 december 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 mei 2014 in zaken nrs. 13/25558 en 13/25559 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor haar minderjarig kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 1 oktober 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Deze besluiten zijn aangehecht. Bij uitspraak van 23 mei 2014 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend. De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. 1.1. Uit een door de staatssecretaris overgelegde, door de vreemdelingen ondertekende, vertrekverklaring blijkt dat de vreemdelingen op 25 augustus 2014 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vanuit Nederland zijn vertrokken naar Zuid-Korea. Op basis van deze informatie moet worden vastgesteld dat de vreemdelingen thans kennelijk geen prijs meer stellen op de door hen aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. 1.2. Nu de staatssecretaris met inachtneming van het voormelde opnieuw op de aanvragen zal moeten beslissen, zullen de door de staatssecretaris in het hogerberoepschrift bestreden overwegingen van de rechtbank in deze zaak geen betekenis meer hebben.

De staatssecretaris heeft om die reden geen belang meer bij een beoordeling van zijn grieven. 1.3. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier. w.g. Lubberdink w.g. Yildiz lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2014 572-753.