Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2014:418 ECLI:NL:RVS:2014:418 AI generated

ECLI:NL:RVS:2014:418 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2014:418
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201303325/1/V1. Datum uitspraak: 5 februari 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 7 maart 2013 in zaak nr. 12/14103 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 22 april 2012 (hierna: het besluit) heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2014:418 · Raad van State: Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 7 maart 2013 heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen het inreisverbod ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201303325/1/V1. Datum uitspraak: 5 februari 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 7 maart 2013 in zaak nr. 12/14103 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 22 april 2012 (hierna: het besluit) heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 7 maart 2013 heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen het inreisverbod ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De staatssecretaris klaagt in de enige grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen terugkeerbesluit aan het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod ten grondslag heeft gelegd. De staatssecretaris heeft in het besluit immers vermeld dat het besluit tevens als terugkeerbesluit geldt en daarbij vastgesteld dat de vreemdeling ingevolge het besluit niet lang rechtmatig in Nederland verblijft en bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten. Dat het terugkeerbesluit is opgenomen in rubriek 5 en niet (tevens) in rubriek 2 van het besluit doet daaraan niet af. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de staatssecretaris overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het inreisverbod gegrond is verklaard en het inreisverbod is vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep in zoverre alsnog ongegrond worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 7 maart 2013 in zaak nr. 12/14103, voor zover daarin het beroep tegen het inreisverbod gegrond is verklaard en het inreisverbod is vernietigd; III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep in zoverre ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van staat. w.g. Van der Spoel w.g. Van Goeverden-Clarenbeek voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2014 488-760.