Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2014:4005 ECLI:NL:RVS:2014:4005 AI generated

ECLI:NL:RVS:2014:4005 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2014:4005
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

201405068/2/V6. Datum uitspraak: 31 oktober 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: [verzoekster], gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2014 in zaak nr. 13/2032 in het geding tussen: [verzoekster] en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Procesverloop Bij besluit van 28 september 2012 heeft de minister [verzoekster] een boete opgelegd van € 48.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2014:4005 · Raad van State: 201405068/2/V6. Datum uitspraak: 31 oktober 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: [verzoekster], gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2014 in zaak nr. 13/2032 in het geding tussen: [verzoekster] en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Procesverloop Bij besluit van 28 september 2012 heeft de minister [verzoekster] een boete opgelegd van € 48.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

201405068/2/V6. Datum uitspraak: 31 oktober 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: [verzoekster], gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2014 in zaak nr. 13/2032 in het geding tussen: [verzoekster] en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Procesverloop Bij besluit van 28 september 2012 heeft de minister [verzoekster] een boete opgelegd van € 48.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.

Bij besluit van 12 maart 2013 heeft de minister het daartegen door [verzoekster] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 mei 2014 heeft de rechtbank het daartegen door [verzoekster] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld. [verzoekster] heeft voorts de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 oktober 2014, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. J. Nagtegaal, advocaat te Breukelen, en de minister, vertegenwoordigd door mr.

P. Farahani, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen. Overwegingen 1. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit tot het opleggen van de boete worden opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist. [verzoekster] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij bij invordering van de boete in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren, het door haar ingestelde hoger beroep op korte termijn door de Afdeling wordt behandeld en niet valt in te zien dat de minister niet kan wachten met invordering van de boete totdat daarop is beslist. 2. [verzoekster] heeft niet aannemelijk gemaakt dat invordering van de verschuldigde boete voor haar tot een financiële noodsituatie zal leiden.

Zoals [verzoekster] ter zitting heeft bevestigd, heeft zij reeds € 40.000,00 voldaan en met de door haar overgelegde financiële stukken, waaronder de jaarrekening 2013 en een ter zitting overgelegde verklaring van haar administratie- en adviesbureau, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat haar financiële situatie zodanig slecht is, dat het voldoen van de resterende € 8.000,00 tot een bedrijfseconomische of financiële noodsituatie zal leiden. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat [verzoekster], ondanks de gestelde slechte financiële situatie zoals deze volgens haar uit de overgelegde stukken zou blijken, in 2014 zeven betalingen van elk € 2.500,00 heeft verricht.

3. Het verzoek wordt afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, griffier. w.g. Bijloos w.g. Woestenburg-Bertels voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2014 501.