Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2007:BA6594 ECLI:NL:RVS:2007:BA6594 AI generated

ECLI:NL:RVS:2007:BA6594 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2007:BA6594
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Procesverloop Bij besluit van 21 maart 2007 is appellante in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 13 april 2007, verzonden op 16 april 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage het daartegen door appellante ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 april 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 27 april 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:6 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2007:BA6594 · Raad van State: 200702846/1. Datum uitspraak: 29 mei 2007 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de vreemdeling, aangeduid als G. NN P11402 V 070321 0915, appellante, tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/13232 van de rechtbank 's Gravenhage van 13 april 2007 in het geding tussen: appellante en de Staatssecretaris van Justitie.

Keywords

AI generated
artikel 6:6 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:6 van de Awb
Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

200702846/1. Datum uitspraak: 29 mei 2007 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de vreemdeling, aangeduid als G. NN P11402 V 070321 0915, appellante, tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/13232 van de rechtbank 's Gravenhage van 13 april 2007 in het geding tussen: appellante en de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop Bij besluit van 21 maart 2007 is appellante in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 13 april 2007, verzonden op 16 april 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage het daartegen door appellante ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 april 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 27 april 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover thans van belang, dient een beroepschrift de naam van de indiener te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb, voor zover thans van belang, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 6:24, eerste lid, van deze wet, voor zover thans van belang, is de afdeling waartoe artikel 6:5 behoort, van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep kan worden ingesteld. Ingevolge artikel 85, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, wordt, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, het hoger beroep niet ontvankelijk verklaard. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. 2.2. Appellante moet worden aangemerkt als de indiener van het hoger-beroepschrift in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.

Dat geschrift moet derhalve ingevolge die bepaling de naam die zij voert, bevatten. Aan dat vereiste is niet voldaan. Gelet op voormeld artikel 85, derde lid, van de Vw 2000, heeft de Afdeling, anders dan de rechtbank, indien niet is voldaan aan voormeld vereiste, niet de mogelijkheid een niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten. 2.3. Het hoger beroep is, gelet op voormeld artikel 85, derde lid, van de Vw 2000, kennelijk niet ontvankelijk. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink Voorzitter w.g. Van Gemert ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2007 243-551. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak