Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2007:AZ6838 ECLI:NL:RVS:2007:AZ6838 AI generated

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6838 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2007:AZ6838
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Procesverloop Bij besluit van 30 mei 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 13 juni 2006 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 14 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2006, beroep ingesteld. Bij brief van 11 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 januari 2007, waar appellanten, van wie [gemachtigde] in persoon en bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, en verweerder, vertegenwoordigd door G.F.M. Brugmans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster] als partij gehoord.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2007:AZ6838 · Raad van State: Appellanten verzoeken verder om een toets van die categorie-indeling. 2.2. De Afdeling overweegt dat geen wettelijke bepaling verweerder ertoe verplichtte de beslissing op de onderhavige aanvraag in afwachting van de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure aan te houden. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder de beslissing desondanks had moeten uitstellen. Daarbij betrekt de Afdeling dat op verweerder de plicht rust om binnen de in artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn te beslissen en dat deze termijn ten tijde van het bestreden besluit reeds was verstreken.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

200605228/1. Datum uitspraak: 24 januari 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas, verweerder.

1. Procesverloop Bij besluit van 30 mei 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 13 juni 2006 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 14 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2006, beroep ingesteld. Bij brief van 11 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 januari 2007, waar appellanten, van wie [gemachtigde] in persoon en bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, en verweerder, vertegenwoordigd door G.F.M. Brugmans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster] als partij gehoord.

2. Overwegingen 2.1. Appellanten voeren aan dat verweerder de beslissing op de aanvraag om vergunning had moeten aanhouden totdat door het college van gedeputeerde staten van Limburg onherroepelijk is beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Landgoed De Roode Vennen". Dit bestemmingsplan moet het voor appellanten mogelijk maken om een accommodatie voor recreatief verblijf op te richten. Volgens appellanten had verweerder niet op de onderhavige aanvraag mogen beslissen voordat in de bestemmingsplanprocedure zekerheid is verkregen over de juistheid van de door hem bij de toepassing van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden ten aanzien van deze verblijfsaccommodatie gehanteerde categorie-indeling.

Appellanten verzoeken verder om een toets van die categorie-indeling. 2.2. De Afdeling overweegt dat geen wettelijke bepaling verweerder ertoe verplichtte de beslissing op de onderhavige aanvraag in afwachting van de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure aan te houden. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder de beslissing desondanks had moeten uitstellen. Daarbij betrekt de Afdeling dat op verweerder de plicht rust om binnen de in artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn te beslissen en dat deze termijn ten tijde van het bestreden besluit reeds was verstreken.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellanten zich kunnen vinden in de door verweerder ten aanzien van de eerder genoemde verblijfsaccommodatie gehanteerde categorie-indeling. Appellanten hebben in zoverre ook niet verzocht om vernietiging van het bestreden besluit. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om in het kader van de onderhavige procedure te toetsen of die categorie-indeling juist is. 2.3. Het beroep is ongegrond. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat. w.g. Drupsteen w.g. Plambeck Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007 159-462.