Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2005:AT8736 ECLI:NL:RVS:2005:AT8736 AI generated

ECLI:NL:RVS:2005:AT8736 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2005:AT8736
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Procesverloop Bij brief van 4 april 2005 heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een inrichting op het adres 2e Tiefelaarsestraat 2 te Neerijnen. Bij brief van 4 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 6 april 2005, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 juni 2005, waar verzoeker in persoon, bijgestaan door J. Boer, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R.J. Rigterink, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2005:AT8736 · Raad van State: 200502998/1. Datum uitspraak: 27 juni 2005 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoeker], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

200502998/1. Datum uitspraak: 27 juni 2005 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoeker], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder.

1. Procesverloop Bij brief van 4 april 2005 heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een inrichting op het adres 2e Tiefelaarsestraat 2 te Neerijnen. Bij brief van 4 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 6 april 2005, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 juni 2005, waar verzoeker in persoon, bijgestaan door J. Boer, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R.J. Rigterink, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over beroep met een besluit gelijkgesteld: het niet tijdig nemen van een besluit. Ingevolge artikel 18.14 van de Wet milieubeheer kan een ieder aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven. Ingevolge artikel 18.16, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, wordt de beschikking op een overeenkomstig artikel 18.14, eerste lid, gedaan verzoek zo spoedig mogelijk gegeven, doch uiterlijk vier weken na de datum waarop het verzoek is ontvangen. 2.2.

Gelet op het verhandelde ter zitting gaat de Voorzitter ervan uit dat tussen partijen niet meer in geschil is dat verzoeker op 21 november 2004 heeft verzocht om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen als bedoeld in artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De Voorzitter is van oordeel dat een (afwijzend) besluit op dit verzoek is vervat in een brief van verweerder aan verzoeker van 13 december 2004. In deze brief stelt verweerder immers geen overtreding te hebben geconstateerd en derhalve niet handhavend te zullen optreden. De Voorzitter stelt vast dat het besluit binnen de in artikel 18.16, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer genoemde termijn is genomen en dat er derhalve, anders dan verzoeker meent, geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit. 2.3.

Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat. w.g. Brink w.g. Van der Zijpp Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2005 262-415.