Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2005:AS5506 ECLI:NL:RVS:2005:AS5506 AI generated

ECLI:NL:RVS:2005:AS5506 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2005:AS5506
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Procesverloop Bij besluit van 11 februari 1994 zijn aan de naamloze vennootschap "N.V. Elektriciteitsproductiemaatschappij Oost- en Noord- Nederland(thans: "Electrabel Nederland N.V." te Zwolle) krachtens de Hinderwet, de Wet inzake de luchtverontreiniging en de Wet geluidhinder vergunningen verleend voor haar electriciteitscentrale op het perceel Weurtseweg 460 te Nijmegen. Bij besluit van 7 juli 2004 heeft verweerder op grond van voorschrift 2.1, verbonden aan evengenoemde vergunningen, de door Electrabel ingediende voorwaarden goedgekeurd voor de acceptatie van houtchips ten behoeve van de verbranding daarvan in haar elektriciteitscentrale.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2005:AS5506 · Raad van State: Jacobs, T. van Bergen en M. Visschers, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.F.C.M. Ariaens en ing. M. de Gunst, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. A.H. Gaastra, advocaat te Rotterdam, ing. H. Jansen en A. Schoonwater, gemachtigden, daar gehoord.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

200406431/2. Datum uitspraak: 4 februari 2005 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: de vereniging "Vereniging Stedelijk Leefmilieu", gevestigd te Nijmegen, verzoekster, en de directeur van de dienst Milieu en Water van de provincie Gelderland, verweerder.

1. Procesverloop Bij besluit van 11 februari 1994 zijn aan de naamloze vennootschap "N.V. Elektriciteitsproductiemaatschappij Oost- en Noord- Nederland(thans: "Electrabel Nederland N.V." te Zwolle) krachtens de Hinderwet, de Wet inzake de luchtverontreiniging en de Wet geluidhinder vergunningen verleend voor haar electriciteitscentrale op het perceel Weurtseweg 460 te Nijmegen. Bij besluit van 7 juli 2004 heeft verweerder op grond van voorschrift 2.1, verbonden aan evengenoemde vergunningen, de door Electrabel ingediende voorwaarden goedgekeurd voor de acceptatie van houtchips ten behoeve van de verbranding daarvan in haar elektriciteitscentrale.

Tegen laatstvermeld besluit heeft onder meer verzoekster bezwaar gemaakt. Bij brief van 23 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft dit verzoek afgewezen bij uitspraak van 10 september 2004 in zaak no. 200406431/1. Bij brief van 14 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2004, heeft verzoekster de Voorzitter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 januari 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door M.

Jacobs, T. van Bergen en M. Visschers, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.F.C.M. Ariaens en ing. M. de Gunst, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. A.H. Gaastra, advocaat te Rotterdam, ing. H. Jansen en A. Schoonwater, gemachtigden, daar gehoord.

2. Overwegingen 2.1. Verzoekster voert aan dat verweerder bij de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening van 23 juli 2004 ten onrechte heeft nagelaten een door de VROM-inspectie uitgebracht advies van 3 augustus 2004 over te leggen, dat betrekking heeft op het bij het bestreden besluit goedgekeurde houtacceptatieplan. Verzoekster is van mening dat dit stuk van belang is bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening, omdat daarin de conclusie wordt getrokken dat het goedgekeurde acceptatieplan onvoldoende waarborgt dat geen verontreinigd hout wordt geaccepteerd.

Verzoekster verzet zich dan ook tegen de bijstook van hout dat met toepassing van het goedgekeurde plan in de inrichting van vergunninghoudster wordt geaccepteerd. Zij wijst in dit kader voorts op een tweede door de VROM-inspectie uitgebracht advies van 21 september 2004, waarin nogmaals negatief geoordeeld wordt over het houtacceptatieplan en op het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften van 9 november 2004 waarin wordt geadviseerd de bezwaren tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen. 2.2.

Blijkens het verhandelde ter zitting hebben de adviezen van de VROM-inspectie ertoe geleid dat door vergunninghoudster een nieuw houtacceptatieplan is ingediend. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij dit plan binnen afzienbare tijd na behandeling van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening zal goedkeuren en het bestreden besluit zal intrekken. Voor de periode waarin het thans goedgekeurde acceptatieplan wordt toegepast bemonstert de Dienst Milieu en Water van de provincie Gelderland wekelijks houtpoeder en laat dit analyseren.

Hierbij is volgens verweerder tot op heden niet gebleken dat niet aan de kwaliteitseisen voor de houtspaanders wordt voldaan. Daargelaten de vraag of verweerder het advies van de VROM-inspectie had moeten overleggen bij de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening van 23 juli 2004 is de Voorzitter, gelet op de korte termijn waarbinnen het bestreden besluit zal worden ingetrokken en de extra bemonstering die tot die tijd plaatsvindt, van oordeel dat thans geen onverwijlde spoed bestaat die, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. 2.3.

De Voorzitter wijst het verzoek af. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat. w.g. Brink w.g. Van der Zijpp Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2005 262-441.