Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2005:AS4698 ECLI:NL:RVS:2005:AS4698 AI generated

ECLI:NL:RVS:2005:AS4698 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2005:AS4698
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Procesverloop Bij besluiten van 13 november 2003 heeft de burgemeester van Enschede (hierna: de burgemeester) de aan verzoeker op grond van de Drank- en Horecaverordening van Enschede verleende vergunningen voor de exploitatie van horecabedrijf "[naam]" in het pand aan de [locatie 1] te [plaats], respectievelijk horecabedrijf "[naam]" aan de [locatie 2] te [plaats], ingetrokken. Bij besluiten van 25 februari 2004 heeft de burgemeester de daartegen door verzoeker gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 december 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) de daartegen door verzoeker ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2005:AS4698 · Raad van State: 200410695/2. Datum uitspraak: 26 januari 2005 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: [verzoeker], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 december 2004 in het geding tussen: verzoeker en de burgemeester van Enschede.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

200410695/2. Datum uitspraak: 26 januari 2005 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: [verzoeker], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 december 2004 in het geding tussen: verzoeker en de burgemeester van Enschede.

1. Procesverloop Bij besluiten van 13 november 2003 heeft de burgemeester van Enschede (hierna: de burgemeester) de aan verzoeker op grond van de Drank- en Horecaverordening van Enschede verleende vergunningen voor de exploitatie van horecabedrijf "[naam]" in het pand aan de [locatie 1] te [plaats], respectievelijk horecabedrijf "[naam]" aan de [locatie 2] te [plaats], ingetrokken. Bij besluiten van 25 februari 2004 heeft de burgemeester de daartegen door verzoeker gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 december 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) de daartegen door verzoeker ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 30 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van (eveneens) 30 december 2004. Voorts heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 januari 2005, waar verzoeker in persoon, bijgestaan door mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door M.J. Gerritsjans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Uitgangspunt is dat een besluit uitvoerbaar is, ook als daartegen rechtsmiddelen zijn aangewend. Dat geldt temeer indien, zoals in dit geval, beroep is ingesteld en de rechter dat beroep ongegrond heeft bevonden. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is er geen reden om op voorhand aan te nemen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure geen stand zal houden, althans dat de Afdeling zal concluderen dat de burgemeester de vergunningen niet mocht intrekken. De conclusie is dat het verzoek moet worden afgewezen. 2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat. w.g. Slump w.g. Haverkamp Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005 383.