Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2004:AO7979 ECLI:NL:RVS:2004:AO7979 AI generated

ECLI:NL:RVS:2004:AO7979 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2004:AO7979
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Procesverloop Bij besluit van 6 januari 2004 heeft verweerder krachtens het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (verder: het Besluit) een nadere eis gesteld ten aanzien van de inrichting van verzoekster op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Vierlingsbeek, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 21 januari 2004 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 1 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2004, beroep ingesteld. Bij brief van 1 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 april 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. J.W.O. Croockewit, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J.H.C. Craenen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2004:AO7979 · Raad van State: 200401801/2. Datum uitspraak: 16 april 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster], gevestigd te [plaats], en het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer, verweerder.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

200401801/2. Datum uitspraak: 16 april 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster], gevestigd te [plaats], en het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer, verweerder.

1. Procesverloop Bij besluit van 6 januari 2004 heeft verweerder krachtens het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (verder: het Besluit) een nadere eis gesteld ten aanzien van de inrichting van verzoekster op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Vierlingsbeek, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 21 januari 2004 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 1 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2004, beroep ingesteld. Bij brief van 1 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 april 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. J.W.O. Croockewit, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J.H.C. Craenen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Onbetwist is dat op de inrichting het Besluit van toepassing is. Ingevolge voorschrift 1.1.6 uit Bijlage 2 behorende bij het Besluit, voorzover hier van belang, zijn de piekniveaus, genoemd in tabel 1 van voorschrift 1.1.1, niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 6.00 uur en 19.00 uur. Volgens de nadere eis is de in voorschrift 1.1.6 genoemde vrijstelling van de piekniveaus voor de onderhavige inrichting slechts van toepassing in de periode tussen 7.00 uur en 19.00 uur.

Volgens verweerder is de nadere eis gelet op de nabijheid van woningen noodzakelijk om geluidhinder tijdens het laden en lossen in de periode tussen 6.00 uur en 7.00 uur te voorkomen. 2.3. Verzoekster kan zich niet verenigen met de nadere eis, omdat, zo stelt zij, het bij het naleven van de nadere eis niet meer mogelijk is om leveranciers goederen in de periode tussen 6.00 uur en 7.00 uur te laten afleveren. Hierdoor zou de levering van sommige, verse goederen niet meer tijdig kunnen geschieden. 2.4. Ingevolge artikel 5, eerst lid, aanhef en onder a, van het Besluit, voorzover hier van belang, kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de in Bijlage 2 behorende bij het Besluit opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

In dit hoofdstuk 4 wordt voorschrift 1.1.6 niet genoemd. Aangezien de bij het bestreden besluit gestelde nadere eis wel is gesteld met betrekking tot dit voorschrift, moet geconcludeerd worden dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit. De Voorzitter verwacht dat reeds hierom het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal houden. 2.5. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. 2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer van 6 januari 2004; II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 696,38, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Boxmeer te worden betaald aan verzoekster; III. gelast dat de gemeente Boxmeer aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat. w.g. Beekhuis w.g. De Vink Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2004 154-314.