ECLI:NL:RBZWB:2026:3192 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Legislator summary
AI generatedRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/434690 / JE RK 25-767 Datum uitspraak: 20 maart 2026 Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Middelburg, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:RBZWB:2026:3192 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Bij beschikking van 4 april 2024 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 april 2024 en tot 18 april 2024. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 april 2024 en tot 18 april 2024. Deze maatregelen zijn bij beschikking van 9 april 2024 verlengd voor de periode van 18 april 2024 tot 4 juli 2024. 2.4. Bij beschikking van 21 juni 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 21 juni 2024 en tot 21 juni 2025.
Keywords
AI generatedRelated Decisions
AI generatedFull text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/434690 / JE RK 25-767 Datum uitspraak: 20 maart 2026 Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Middelburg, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr.
M.C. Buntsma uit Middelburg, De kinderrechter merkt als informant aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 2] . 1Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 13 juni 2025 en alle daarin genoemde stukken; de brief met bijlagen van de GI van 25 februari 2026; het e-mailbericht met bijlage van de GI van 16 maart 2026; het e-mailbericht van de GI van 17 maart 2026. 2De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] woont bij zijn moeder. 2.3.
Bij beschikking van 4 april 2024 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 april 2024 en tot 18 april 2024. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 april 2024 en tot 18 april 2024. Deze maatregelen zijn bij beschikking van 9 april 2024 verlengd voor de periode van 18 april 2024 tot 4 juli 2024. 2.4. Bij beschikking van 21 juni 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 21 juni 2024 en tot 21 juni 2025.
De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 13 juni 2025 verlengd voor de periode van 21 juni 2025 tot 21 juni 2026. 2.5. Bij beschikking van 21 juni 2024 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 21 juni 2024 en tot 21 december 2024. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 13 juni 2025 voor de periode van 21 juni 2025 tot 21 maart 2026. 3Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 21 maart 2026 tot 21 juni 2026. 4De nadere beoordeling 4.1. Uit de briefrapportage van de GI van 25 februari 2026 volgt - kort samengevat - dat de moeder positieve stappen heeft gezet, [minderjarige] zich positief ontwikkelt en dat in de afgelopen periode is toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] . De GI vindt een uithuisplaatsing daardoor niet langer proportioneel of noodzakelijk.
Op 10 maart 2026 heeft de Raad voor de Kinderbescherming ingestemd met het voorgenomen besluit om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te beëindigen. Vervolgens heeft de GI het resterende deel van het verzoek bij e-mailbericht van 17 maart 2026 ingetrokken 4.2. Nu het resterende deel van het voorliggende verzoek is ingetrokken, behoeft dit geen beoordeling en beslissing meer. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek daarom afwijzen.
5De beslissing
De kinderrechter: wijst het resterende deel van het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.