Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2026:271 ECLI:NL:RBZWB:2026:271 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2026:271 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2026:271
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3256 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 24 december 2024. In die uitspraak staat dat verweerder binnen zes weken moet beslissen op de aanvraag van eiser. Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens hem niet heeft gedaan. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:12 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2026:271 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. BRE 24/3451, ECLI:NL:RBZWB:2024:9238. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156.

Keywords

AI generated
statute of limitations bar unjustified procedural delay untimely request for extension one-week time limit default of statutory deadline waiting period

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
artikel 6:12 van de Awb
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBZWB:2024:9238
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/3451 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2024 in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser, (gemachtigde: voorheen mr.
ECLI:NL:CRVB:2021:2305
204492 WMO15 Datum uitspraak: 10 september 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen: Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1652, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 januari 2020 vernietigd, het beroep van appellante gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 17 december 2019 vernietigd.
ECLI:NL:RVS:2019:673
201808648/1R1.Datum uitspraak: 8 maart 2019 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant], wonend te Bergen (NH), appellant, en de raad van de gemeente Bergen (NH), verweerder. Procesverloop [appellant] heeft in vervolg op de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, nr. 201709325/1/R1, beroep ingesteld tegen het andermaal niet tijdig nemen van een besluit door de raad omtrent vaststelling van het bestemmingsplan "Bergen Dorpskern Zuid". De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2020:3156
202000812/2/R4. Datum uitspraak: 27 maart 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Beek-Ubbergen, gemeente Ubbergen, en het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 augustus 2017 heeft het college de gestelde maatwerkvoorschriften voor de activiteiten van de door [bedrijf] gedreven supermarkt aan de [locatie] te Beek-Ubbergen gewijzigd.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3256 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 24 december 2024. In die uitspraak staat dat verweerder binnen zes weken moet beslissen op de aanvraag van eiser. Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens hem niet heeft gedaan. 1.1.

Omdat het beroep tegen het niet op tijd beslissen door verweerder kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling).

Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep ontvankelijk? 3. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in haar uitspraak van 24 december 2024 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing moest nemen, namelijk zes weken. Die termijn was op het moment dat eiser beroep instelde (al lang) verstreken.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder na het instellen van het beroep alsnog een besluit heeft genomen op 12 augustus 2025. Hierdoor heeft eiser geen belang meer bij het beroep dat is gericht tegen het niet op tijd nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet op tijd beslissen op de aanvraag van eiser is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk.

5. Op grond van de wet ziet het beroep ook op het alsnog genomen besluit. Uit de e-mail van 2 oktober 2025 blijkt dat eiser het niet eens is met dat besluit. 5.1. Omdat de bezwaarfase nog niet is doorlopen, ziet de rechtbank aanleiding het beroep naar verweerder te verwijzen om het te behandelen als bezwaarschrift tegen het besluit van 12 augustus 2025. Wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser? 6. Omdat het besluit genomen is na het instellen van het beroep moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit niet-ontvankelijk; verwijst het beroep dat van rechtswege loopt tegen het besluit op de aanvraag naar verweerder om het te behandelen als bezwaarschrift; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. BRE 24/3451, ECLI:NL:RBZWB:2024:9238. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156.

Artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.