Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2026:232 ECLI:NL:RBZWB:2026:232 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2026:232 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2026:232
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1146. Vgl. Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4062, Hoge Raad 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBZWB:2026:232 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de bezwaren buiten de bezwaartermijn van zes weken zijn ingediend. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de aangevoerde verzetsgronden de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. In dit geval kon belanghebbende wel binnen de wettelijke termijn bezwaar maken. Zij heeft dat op dat moment niet gedaan, omdat zij daartoe toentertijd geen reden had.

Keywords

AI generated
type of action right to legal counsel challenge of administrative decisions intimidation lawsuit arguable claim debt collection officer

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2022:1146
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 20/01549 Datum 9 september 2022 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 maart 2020, nr. 19/00845, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/6556) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017.
ECLI:NL:HR:2006:AW4062
Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn ter zake van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het jaar 2000 aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van (destijds nog) de gemeente Grubbenvorst opgelegd. De Teamleider belastingen van de gemeente Horst aan de Maas heeft bij uitspraak het tegen de aanslagen gemaakte bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2004:AP1368
Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 206.000. Belanghebbende heeft bij brief van 15 november 2000 de gemeente verzocht op grond van artikel 19, lid 1, letter c, Wet waardering onroerende zaken (tekst tot en met 31 december 1998; hierna: Wet WOZ) een nieuwe beschikking af te geven. Bij uitspraak van 4 december 2000 heeft het Hoofd Afdeling heffing en invordering van de gemeente Zaanstad (hierna: het Hoofd) het verzoek afgewezen. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het Hoofd vernietigd en de waarde nader vastgesteld op ƒ 191.000 (€ 86.672). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/5248 t/m 24/5254 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 op het verzet van [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde]), tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 augustus 2025 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 25 augustus 2025 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende ongegrond heeft verklaard. 1.1.

De rechtbank heeft het verzet op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar drs. [inspecteur 1], mr. [inspecteur 2] en mr. drs. [inspecteur 3]. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 25 augustus 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen ongegrond zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.1. Belanghebbende voert in verzet aan dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen haar eigen aangifte omzetbelasting voor het jaar 2016 binnen een termijn van vijf jaar.

Op uitdrukkelijk verzoek van de Belastingdienst is daarna bezwaar gemaakt tegen de eigen aangiftes omzetbelasting voor de jaren 2018 tot en met 2021. Ondanks dat het bezwaar (wat ook is aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering) binnen de vijf jaar is ingediend, heeft de inspecteur het verzoek toch afgewezen. Belanghebbende is van mening dat de inspecteur onterecht vasthoudt aan de bezwaartermijn, omdat dit tot onrechtvaardig gevolg heeft dat belanghebbende niet krijgt waar zij, volgens de uitspraak van de Hoge Raad, recht op heeft. 2.2.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de bezwaren buiten de bezwaartermijn van zes weken zijn ingediend. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de aangevoerde verzetsgronden de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. In dit geval kon belanghebbende wel binnen de wettelijke termijn bezwaar maken. Zij heeft dat op dat moment niet gedaan, omdat zij daartoe toentertijd geen reden had.

In zo’n situatie kan een later opgekomen reden, zoals een wijziging in juridisch inzicht, niet bewerkstelligen dat een inmiddels niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt. 2.4. Van andere feiten en omstandigheden die een overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar maken, is niet gebleken. 2.5. De rechtbank is niet bevoegd een oordeel te geven over de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering van 8 en 11 mei 2024, zoals ook terecht is geoordeeld in de uitspraak 25 augustus 2025. Conclusie en gevolgen 3.

De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 25 augustus 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr.W. Dekkers, griffier op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1146. Vgl. Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4062, Hoge Raad 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368.