Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2026:2155 ECLI:NL:RBZWB:2026:2155 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2026:2155 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2026:2155
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/6059 ZORG proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar. 1.1. De rechtbank heeft het beroep van eiser op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, vergezeld van zijn [echtgenote] , en namens de Dienst Toeslagen [vertegenwoordiger 1] en mr. [vertegenwoordiger 2] . 1.2.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2026:2155 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar. 1.1. De rechtbank heeft het beroep van eiser op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, vergezeld van zijn [echtgenote] , en namens de Dienst Toeslagen [vertegenwoordiger 1] en mr. [vertegenwoordiger 2] . 1.2.

Keywords

AI generated
party to proceedings third-party proceedings non-contestation of the facts third-party claim procedure in attachment statement of claim right to be heard
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/6059 ZORG proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar. 1.1. De rechtbank heeft het beroep van eiser op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, vergezeld van zijn [echtgenote] , en namens de Dienst Toeslagen [vertegenwoordiger 1] en mr. [vertegenwoordiger 2] . 1.2.

Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.1. De Dienst Toeslagen heeft eisers bezwaar van 20 augustus 2025 aangemerkt als gericht tegen de definitieve berekening van het recht op zorgtoeslag over het jaar 2018 en de daaruit voortvloeiende terugvordering. De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen daarover op 23 januari 2023 en 11 februari 2023 besluiten heeft genomen.

Omdat het bezwaarschrift van eiser dateert van 20 augustus 2025, is dit veel later ingediend dan de wettelijke bezwaartermijn van zes weken. 2.2. Eiser heeft aangevoerd dat hem pas veel later duidelijk is geworden dat de besluiten van 23 januari 2023 en 11 februari 2023 betekenden dat er door hem nog een bedrag aan de Dienst Toeslagen betaald moest worden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen geldige reden om te laat bezwaar te maken. Ook is geen geldige reden voor een te laat bezwaar dat voor eiser andere termijnen gelden dan voor de Dienst Toeslagen.

Dit is zo vastgelegd in de wet en de rechtbank kan hieraan niets veranderen. 2.3. De rechtbank komt niet toe aan de inhoud van het bezwaar van eiser. Dit betekent dat de rechtbank geen oordeel kan geven over het nog openstaande bedrag van € 264,-. De rechtbank kan dus ook niet bepalen of dit bedrag al dan niet door eiser aan de Dienst Toeslagen terugbetaald moet worden. Dit bedrag blijft dan ook zoals de Dienst Toeslagen het heeft berekend. Conclusie en gevolgen 3. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. 3.1.

Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank verklaart beroep ongegrond. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026 door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.