Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2026:200 ECLI:NL:RBZWB:2026:200 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2026:200 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2026:200
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/6631 en 25/6633 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de uitspraken van de rechtbank van 14 april 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2154 en ECLI:NL:RBZWB:2025:2155, te herzien. 1.1. Omdat de verzoeken kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht, Artikel 8:54 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2026:200 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Centrale Raad van Beroep 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622. ECLI:NL:RBZWB:2024:615.

Keywords

AI generated
right to a decision waiver of statement of reasons insufficiently substantiated grievance withdrawal of revision request reconsideration of asylum application invocation of statutory grounds

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht
In deze uitspraak beslist de rechtbank op het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de uitspraken van de rechtbank van 14 april 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2154 en ECLI:NL:RBZWB:2025:2155, te herzien.
Artikel 8:54 van de Awb
Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBZWB:2025:2154
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht Locatie Middelburg zaaknummers: BRE 25/62 en 25/63 en 25/1171 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2025 in de zaak tussen [belanghebbende] uit [plaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 30 november 2024 voor het belastingjaar 2010. 1.1. Belanghebbende heeft op 19 augustus 2024 de inspecteur verzocht om de eerder aan hem opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2010 te verminderen (de verminderingsverzoeken). 1.2.
ECLI:NL:RBZWB:2025:2155
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/7980 tot en met 24/7983 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2025 in de zaak tussen [belanghebbende] uit [plaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 30 november 2024 voor de belastingjaren 2009 en 2010. 1.1. Belanghebbende heeft op 19 augustus 2024 de inspecteur verzocht om de eerder aan hem opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en Zorgverzekeringswet (Zvw) over de jaren 2009 en 2010 te verminderen (de verminderingsverzoeken). 1.2.
ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516
02/4921 AW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht, op het verzoek van: [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, om herziening van de uitspraak van de Raad van 14 februari 2002, nrs. 98/1900 MAW en 98/2837 MAW. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Verzoeker heeft bij faxschrijven van 18 september 2002, nader aangevuld bij faxschrijven van 18 januari 2003, verzocht om herziening van bovenvermelde uitspraak, naar welke uitspraak hierbij wordt verwezen. Namens de Commandant Nationaal Commando, rechtsopvolger van de in de uitspraak van 14 februari 2002 als gedaagde aangeduide Commandant 785 Electronische Centrale Werkplaats, is bij brief van 9 december 2002 op het verzoek om herziening gereageerd.
ECLI:NL:RVS:2015:622
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) 2.
ECLI:NL:RBZWB:2024:615
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/850 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 februari 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker, en de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur). Beslissing De voorzieningenrechter: wijst de verzoeken met nummers 1 en 4 af; verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de overige verzoeken. Ontstaan en loop van het geding 1. Aan verzoeker is over het jaar 2009 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (de navorderingsaanslag).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/6631 en 25/6633 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de uitspraken van de rechtbank van 14 april 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2154 en ECLI:NL:RBZWB:2025:2155, te herzien. 1.1. Omdat de verzoeken kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.

Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank Het verzoek 2. De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. 2.1. Belanghebbende heeft bij brief van 10 december 2025 de rechtbank verzocht om herziening van de hiervoor genoemde uitspraken. De rechtbank begrijpt uit dit stuk dat belanghebbende het niet eens is met deze uitspraken en dat als novem voor een herziening onder andere geldt dat 1) de Belastingdienst een uitspraak van een Gerechtshof uit 2016 misbruikt 2) dat de Belastingdienst de uitspraken van de rechtbank hiervoor genoemd nu misbruikt en 3) de uitkomst van het lopende cassatieberoep met nummer HR 25/00770 niet in de beoordeling is betrokken.

Daarnaast is nog een veelheid aan nieuwe feiten gesteld. Beoordeling van het verzoek 3. Op verzoek van een partij kan een onherroepelijk geworden uitspraak worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die: hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, die bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs bekend konden zijn, en waren zij bij de rechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.1. De bewijslast ligt bij verzoeker. De mogelijkheid van herziening is uitdrukkelijk niet bedoeld om een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.

Bij een verzoek om herziening moet sprake zijn van feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak. 3.2. Het verzoek om herziening slaagt niet. De door verzoeker aangehaalde gestelde nieuwe feiten kunnen niet leiden tot een gegrond herzieningsverzoek nu die feiten niet hebben plaatsgevonden vóór de uitspraken van de rechtbank, dan wel niet zijn gebleken, dan wel naar het oordeel van de rechtbank geen relevantie hebben met de genomen gerechtelijke beslissingen, dan wel niet nieuw zijn. Ook nadien gekomen verandering van rechtspraak – als dat er al zou zijn, wat de rechtbank niet opmaakt uit de stukken - kan niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of omstandigheid. 3.3.

De rechtbank volstaat met deze relatief korte uitleg en merkt op dat de waarschuwing die de voorlopige voorzieningenrechter gegeven heeft eerst nadat het derde verzoek daartoe was ingediend, ook in bredere zin voor verzoeker geldt: eventuele komende verzoeken van soortgelijke strekking kunnen, wanneer de rechtbank daar aanleiding voor ziet, verkort behandeld worden. Beslissing De rechtbank wijst de verzoeken om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Centrale Raad van Beroep 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622. ECLI:NL:RBZWB:2024:615.