Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2026:1986 ECLI:NL:RBZWB:2026:1986 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2026:1986 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2026:1986
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3211 WMO15 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats 1] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam (het college), verweerder, (gemachtigde: drs. [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de weigering eisers persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) langer dan tot 29 juni 2025 voort te zetten. Eiser is het daarmee niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2026:1986 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Artikel 1.2.1 Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit: a. door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie, Artikel 2.3.5 1.

Keywords

AI generated
reimbursement of transport costs transit charge commuter allowance motor vehicle expenses weekly commuter allowance unpaid fines

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2025:542
23/2293 WMO15 Datum uitspraak: 27 maart 2025 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 juli 2023, 22/3425 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (college) SAMENVATTING De zaak gaat over de vraag of het college terecht een vervoersvergoeding heeft geweigerd omdat appellant zelf kan voorzien in zijn vervoersbehoefte door het gebruik van een (eigen) auto uit zijn sociale netwerk.
ECLI:NL:CRVB:2025:971
22/905 WMO15, 25/256 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 februari 2022, 20/1902 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het dagelijks bestuur van de GGD Drenthe (dagelijks bestuur) Datum uitspraak: 2 juli 2025 SAMENVATTING In deze zaak beslist de Raad dat het dagelijks bestuur alsnog inzage aan appellante dient te geven in enkele passages die zijn zwart gelakt in het door Veilig Thuis Drenthe over appellante en haar kinderen opgemaakte dossier.
ECLI:NL:CRVB:2025:522
23/2091 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 juni 2023, 22/3416 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (college) Datum uitspraak: 27 maart 2025 SAMENVATTING De zaak gaat over de vraag of het college terecht een vervoersvergoeding heeft geweigerd omdat appellante zelf kan voorzien in haar vervoersbehoefte door het gebruik van een (eigen) auto uit haar sociale netwerk.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3211 WMO15 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats 1] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam (het college), verweerder, (gemachtigde: drs. [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de weigering eisers persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) langer dan tot 29 juni 2025 voort te zetten. Eiser is het daarmee niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 2 april 2025 heeft het college aan eiser over de periode van 30 maart 2025 tot en met 29 juni 2025 een vervoersvoorziening in de vorm van een pgb toegekend. Dit betekent dat de voorziening met ingang van 30 juni 2025 wordt beëindigd.

Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college dit besluit gehandhaafd. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. 2.3. Na de zitting zijn nog stukken van eiser ontvangen. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding voor heropening van het onderzoek. De rechtbank laat deze stukken buiten beschouwing.

Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3.1. Eiser heeft in 2015 een herseninfarct gehad. Hierdoor heeft hij niet-aangeboren hersenletsel en blijvende cognitieve problemen. Ook raakt eiser snel overprikkeld. Sinds 2020 heeft eiser dagbesteding bij WYzorg in [plaats 2]. Eiser had maatwerkvoorzieningen voor dagbesteding en vervoer in de vorm van een pgb. Deze voorzieningen waren toegekend tot en met 29 maart 2025. 3.2. Met het besluit van 2 april 2025 heeft het college aan eiser over de periode van 30 maart 2025 tot en met 29 maart 2027 een pgb toegekend voor dagbesteding en met het primaire besluit van dezelfde datum over de periode van 30 maart 2025 tot en met 29 juni 2025 een pgb voor vervoer naar de dagbesteding.

Dit betekent dat de vervoersvoorziening met ingang van 30 juni 2025 wordt beëindigd. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. 3.3. Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard. Het college stelt dat eiser, hoewel hij cognitieve beperkingen heeft, geen onoverkomelijke problemen ondervindt bij het vervoer. Hij is in staat om op eigen kracht zelfstandig, met de eigen auto, naar en van de dagbesteding te reizen. Hiermee is zijn zelfstandigheid op dit vlak volgens het college voldoende gewaarborgd.

Er is daarmee geen sprake van een vervoersbeperking waarvoor compensatie op grond van de Wmo nodig is. Het college verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 maart 2025. Uit coulance en rechtszekerheid heeft het college tijdelijk, met een overgangsperiode van 3 maanden, een pgb toegekend tot 29 juni 2025. Beroep 4.1. Eiser stelt dat hij al sinds april 2020 van het college zijn reiskosten vergoed kreeg voor deelname aan dagbesteding. Nu stopt die vergoeding ineens, omdat die onterecht zou zijn toegekend. Het college zou geen vervoersplicht hebben.

Volgens eiser klopt dat niet. Hij is nooit geïnformeerd dat de reiskostenvergoeding ten onrechte was toegekend. Omdat er geen sprake is van een beleidswijziging, stelt eiser dat hij nog steeds recht heeft op die vergoeding. Een eerder toegekende vergoeding kan volgens eiser niet zomaar ontnomen worden. 4.2. Eiser stelt daarnaast dat hij het verlies van het bedrag aan reiskostenvergoeding van € 107,- per maand niet zomaar kan opvangen. Volgens eiser is dit bedrag een deel van zijn inkomen geworden, zeker omdat hij afgekeurd is. De overgangsperiode van 3 maanden is volgens eiser onvoldoende.

Toetsingskader 5. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak. Het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep 6. De CRvB heeft een stappenplan ontwikkeld dat het college moet volgen wanneer melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het college zal ten eerste moeten vaststellen wat de hulpvraag is. Ten tweede moet worden vastgesteld welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, of het zich kunnen handhaven in de samenleving. Ten derde moet worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving.

Ten vierde moet bezien worden in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden niet toereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Oordeel van de rechtbank 6.1. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college op goede gronden geweigerd heeft eisers pgb voor vervoer naar zijn dagbesteding, na een overgangsperiode van 3 maanden, met ingang van 30 juni 2025 voort te zetten.

Het college heeft dat geweigerd, omdat eiser volgens het college op eigen kracht naar de dagbesteding kan reizen en hij daarin niet gecompenseerd hoeft te worden. 6.2. De rechtbank stelt voorop dat een maatwerkvoorziening over het algemeen voor een bepaalde periode wordt toegekend en dat uit een eerdere toekenning van een maatwerkvoorziening niet volgt dat een betrokkene daarop blijvend recht heeft. Het college moet bij een nieuwe beoordeling opnieuw vaststellen of er recht bestaat op een maatwerkvoorziening. Dat eiser naar eigen zeggen niet eerder is geïnformeerd dat de vervoersvoorziening ten onrechte was toegekend, maakt dat niet anders.

Ook het ontbreken van een beleidswijziging betekent niet dat een eerder toegekende voorziening zonder meer moet worden voortgezet. Daarbij merkt de rechtbank op dat wanneer het college eerder ten onrechte een maatwerkvoorziening heeft toegekend, hij die fout niet hoeft te herhalen. 6.3. Het college heeft ter beoordeling of eisers vervoersvoorziening na afloop van de eerdere indicatie verlengd zou moeten worden, onderzoek verricht. Dit onderzoek heeft, blijkens de rapportage van Wmo-consulente [naam 1] van 24 maart 2025, onder meer bestaan uit telefonische contacten met eiser, [naam 2] van WYzorg en [naam 3] van MEE.

Volgens deze rapportage kan eiser met zijn eigen auto zelfstandig naar de dagbesteding rijden. De rechtbank ziet geen reden om dat onderzoek onzorgvuldig te achten. Dat er bij eiser thuis geen fysiek keukentafelgesprek is geweest maakt dat onderzoek niet onzorgvuldig. Eiser heeft verder niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de rapportage onjuist is. Hij heeft in het telefoongesprek met de consulent zijn situatie kunnen uitleggen. Ook in bezwaar had hij die situatie kunnen toelichten en kunnen aangeven als hij iets miste in de rapportage van de consulent of daarin onjuistheden vermeld stonden.

Dat heeft hij niet gedaan. Daarom mocht het college bij de besluitvorming uitgaan van deze rapportage. Op zitting heeft eiser gesteld dat het hem soms niet lukt om met zijn eigen auto naar de dagbesteding te rijden. Dit heeft eiser pas op zitting naar voren gebracht en niet met medische informatie of andere stukken onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de rapportage van de Wmo-consulente. 6.4. De rechtbank is van oordeel dat het college heeft kunnen weigeren eisers vervoersvoorziening voort te zetten.

Eiser heeft erkend dat hij met zijn eigen auto naar de dagbesteding rijdt. Hij is dus in staat om in zijn vervoersbehoefte te voorzien en daarmee is er geen vervoersbehoefte die gecompenseerd moet worden. 6.5. Met betrekking tot eisers stelling dat hij het verlies aan reiskostenvergoeding niet zomaar kan opvangen en dat deel van zijn inkomen is geworden, overweegt de rechtbank als volgt. De Wmo is (uitsluitend) bedoeld om beperkingen te compenseren die een betrokkene ondervindt als gevolg van een handicap of een (chronisch) psychisch probleem. De Wmo is niet bedoeld als inkomensvoorziening, als aanvulling van het inkomen.

De door eiser genoemde financiële omstandigheid kan daarom geen reden zijn om aan hem een vervoersvoorziening te (blijven) verstrekken. De door het college gehanteerde overgangsperiode van 3 maanden vindt de rechtbank niet onredelijk. Conclusie en gevolgen 7.1. De rechtbank komt tot de slotsom dat het besluit van het college, waarbij is geweigerd eisers vervoersvoorziening, na een overgangsperiode, voort te zetten, standhoudt. Het beroep is daarom ongegrond. 7.2. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen recht op vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.

Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koek, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 20 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Artikel 1.1.1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -maatschappelijke ondersteuning: 1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang; -maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang; -participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

Artikel 1.2.1 Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit: a. door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie, Artikel 2.3.5 1.

Het college beslist op een aanvraag: a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie; b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen.

3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:CRVB:2025:542.

Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB: 2018:819 en van 11 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018: 2182. Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 2 juli 2025, (ECLI:NL:CRVB:2025:971). De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak die het college genoemd heeft en een andere uitspraak van de CRvB van 27 maart 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:522 ).