Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2026:1982 ECLI:NL:RBZWB:2026:1982 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2026:1982 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2026:1982
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/2458 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 april 2025. 1.1. Belanghebbende heeft € 25.588 overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Tegen deze voldoening op aangifte heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 7:11 van de Awb, Artikel 8:42 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2026:1982 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Belanghebbende stelt dat het geschil uitsluitend ziet op het toepasselijke tarief voor de overdrachtsbelasting, uitgaande van hetgeen in de leveringsakte is vermeld. In de leveringsakte heeft de notaris volgens belanghebbende vastgesteld dat sprake is van een woning met aanhorigheden. De inspecteur en de rechtbank moeten daar volgens belanghebbende van uitgaan. Daarom hoeft niet meer te worden beoordeeld of het agrarische perceel kan worden aangemerkt als een aanhorigheid bij de woning als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV).

Keywords

AI generated
price of land farm rent rural land rights planning value threshold cadastral survey plan building plot

Cited Legislation

AI generated
Artikel 7:11 van de Awb
Artikel 8:42 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1993:ZC5412
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 45.322, -- , welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 37.677, --. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHARL:2020:9067
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a.
ECLI:NL:GHSHE:2020:4057
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 19/00732 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, en het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de rechtbank) van 7 november 2019, nummer BRE 18/3016, in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2015 (hierna: IB/PVV 2015) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. 1.3. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep. 1.7. De zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2020 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigden, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . 1.8. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de acht foto’s die als bijlagen bij deze pleitnota zijn gevoegd. 1.9. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de volgende onroerende zaken: a. een woonhuis met erf, tuin, cultuurgrond en verdere aanhorigheden aan [adres] [nummer] te [woonplaats] , [postcode] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente 1] , sectie O, nummer 157, groot 1 ha, 42 a en 55 ca. Deze onroerende zaak, hierna aan te duiden als het woonperceel, is op 9 november 1990 in eigendom verkregen; b. een perceel weiland aan [adres] te [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente 2] , sectie C, nummer 63, groot 4 ha, 35 ca. Belanghebbende heeft dit perceel, hierna aan te duiden als perceel C63, op 10 oktober 2003 in eigendom verkregen; c. een perceel weiland aan [adres] te [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente 2] , sectie C, nummer 64, groot 2 ha, 34 a en 70 ca. Deze onroerende zaak, hierna aan te duiden als perceel C64, is op 31 december 2008 in eigendom verkregen. 2.2. Het woonhuis waarin belanghebbende woont, biedt uitzicht op de percelen C63 en C64. Belanghebbende heeft de percelen aangekocht met als doel het vrije uitzicht, door hem de ‘unverbaubarer blick’ genoemd, te garanderen. Het woonperceel is van de percelen C63 en C64 gescheiden door een doorgaande openbare weg, alsmede door een niet-dempbare sloot. Vanaf de openbare weg wordt toegang geboden tot de percelen C63 en C64. De toegangen – passages over de sloot – zitten enkele tientallen meters naar links en rechts vanaf de woning gezien. In de betreffende percelen C63 en C64 bevinden zich meerdere sloten waardoor niet is te zien waar de perceelgrens loopt. De percelen C63 en C64 zijn daardoor afzonderlijk niet als zodanig herkenbaar. 2.3. Voor de onder 2.1 genoemde onroerende zaken tezamen heeft de gemeente [woonplaats] in het kader van de Wet Waardering Onroerende Zaken (hierna: Wet WOZ) per 1 januari 2014 bij beschikking een waarde vastgesteld van € 440.000. 2.4. De onder 2.1 genoemde onroerende zaken zijn onder de naam ‘ [naam] ’ gerangschikt onder de Natuurschoonwet (hierna: NSW). Deze rangschikking heeft plaatsgevonden bij besluit van 28 september 2009 van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2.5. Belanghebbende heeft de onder 2.1 genoemde onroerende zaken gefinancierd door middel van leningen bij [bedrijf 1] B.V., een B.V. waarin belanghebbende een aanmerkelijk belang houdt. De leningen zijn in 2003 overgedragen aan [bedrijf 2] B.V., een 100% dochtervennootschap van [bedrijf 1] B.V. In 2013 is [bedrijf 2] B.V. geliquideerd en zijn de leningen terug overgedragen aan [bedrijf 1] B.V. In 2015 bedraagt het geleende bedrag in totaal € 612.713 en kan als volgt worden onderverdeeld: - € 308.905 ten behoeve van het woonperceel; - € 177.655 ten behoeve van perceel C63; - € 126.153 ten behoeve van perceel C64. 2.6. Bij de beoordeling van de aangiften IB/PVV over de jaren 2003 en 2004 heeft de inspecteur vragen gesteld aan belanghebbende. Geen van de partijen beschikt nog over de vragenbrieven of afschriften daarvan. Belanghebbende heeft in eerste aanleg afschriften in geding gebracht van de antwoordbrieven met dagtekening 10 februari 2006 en 21 september 2006 op de verzoeken om informatie van de inspecteur. 2.7. In de overgelegde brief van 10 februari 2006 is namens belanghebbende op het verzoek om informatie geantwoord: ‘Per brief van 31 januari jl. hebt u ons verzocht om nadere informatie betreffende de aangifte inkomstenbelasting 2003 van de heer [belanghebbende] . In het vervolg hierop treft u bijgaand een specificatie van de schulden van de heer [belanghebbende] aan zoals deze zijn opgenomen in zijn aangifte inkomstenbelasting 2003. Met betrekking tot de schulden van de heer [belanghebbende] aan [bedrijf 1] B.V. kunnen wij u berichten dat nagenoeg alle corresponderende vorderingen in 2003 zijn overgedragen door [bedrijf 1] B.V. aan [bedrijf 2] B.V., een 100% dochtervennootschap van [bedrijf 1] B.V. (…) Aflossing van de schuld heeft derhalve niet plaatsgevonden, althans niet tot nihil. Voor het overige verwijzen u naar bijgevoegde specificatie.’ 2.8. Bij de brief van 10 februari 2006 is een specificatie gevoegd, waarin onder meer het volgende is opgenomen: ‘SPECIFICATIE VERMOGEN 2003 VAN [belanghebbende] in euro’s SCHULDEN BOX 1 31-12-2003 01-01-2003 Eigen woning Lening I [bedrijf 1] B.V. 0 148.386 Lening II [bedrijf 1] B.V. 0 268.411 Lening [bedrijf 2] B.V. 416.797 0 Lening [bedrijf 2] B.V. 21.345 0 -------- --------- 438.142 416.797’ 2.9. De aangifte IB/PVV 2003 heeft daarna geleid tot de definitieve aanslag IB/PVV 2003 zonder dat daarbij is afgeweken van de aangifte. 2.10. In de overgelegde brief van 21 september 2006 is namens belanghebbende op het verzoek van de inspecteur om informatie geantwoord: ‘In uw brief de dato 7 september 2006 verzoekt u ons nadere informatie te verschaffen inzake de aangifte inkomstenbelasting 2004 ten name van de heer [belanghebbende] . Wij vragen uw aandacht voor het navolgende. Inkomen uit werk en woning (box 1) Schuld eigen woning Op uw verzoek treft u bijgaand aan de akten van geldlening en rekeningcourantkrediet met betrekking tot de eigen woning (zie Bijlage A 3 stuks). In totaal heeft [belanghebbende] een bedrag van € 416.797 (€ 90.756 + € 177.655 + € 148.386) geleend ten behoeve van de eigen woning. Rente eigen woning 2002 In het jaar 2002 is de totale rente eigen woning € 15.014 volledig verrekend in rekening-courant met [bedrijf 1] B.V. (zie Bijlage B mutatieoverzicht). Rente eigen woning 2003 Op 16 januari 2003 zijn de leningen met betrekking tot de eigen woning van € 416.797 overgedragen van [bedrijf 1] B.V. naar [bedrijf 2] B.V. In rekening-courant met [bedrijf 1] B.V. is een bedrag van totaal € 978,58 aan rente eigen woning verrekend (zie Bijlage C: mutatieoverzicht). Via [bedrijf 2] B.V. wordt de rente eigen woning voor het jaar 2003 (eenmalig) verrekend door middel van het bijschrijven van de rente op de oorspronkelijke lening eigen woning (zie Bijlage C toelichting op de balans per 31 december 2003). De totale rente eigen woning betaald via [bedrijf 2] B.V. bedraagt € 21.345. Hoofdsom Rente Totaal € 148.386 € 8.513 € 156.899 € 268.411 € 12.832 € 281.243 ----------- ---------- ----------- € 416.797 € 21.345 € 438.142 ======= ====== ======= Rente eigen woning 2004 In het jaar 2004 is de rente eigen woning ad € 16.672 volledig verrekend in rekening-courant tussen [belanghebbende] en [bedrijf 2] B.V. (zie bijlage D mutatieoverzicht). W.O.Z.-waarde Bij het berekenen van het eigenwoningforfait zijn we uitgegaan van de W.O.Z.-waarde zoals deze vermeld staat op het aanslagbiljet gemeentelijke belastingen 2001 met dagtekening 30 september 2002. Een kopie van deze aanslag voegen wij als bijlage bij (Bijlage E).’ 2.11. De aangifte IB/PVV 2004 heeft daarna geleid tot de definitieve aanslag IB/PV 2004 zonder dat daarbij is afgeweken van de aangifte. 2.12. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2015 de percelen C63 en C64 niet als aanhorigheid van de eigen woning aangemerkt en de rentekosten die op de financiering van deze percelen betrekking hebben, niet in aftrek toegestaan. Het gaat om een bedrag van € 12.647 aan rentekosten. 2.13. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.157 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 340.329. Tevens is bij beschikking € 391 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.227 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 340.329 en de rentebeschikking evenredig verminderd. De rechtbank heeft de aanslag verminderd tot naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.329 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 340.329 en de rentebeschikking evenredig verminderd. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: 1. Zijn de percelen C63 en C64 een aanhorigheid van de eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)? 2. Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend is, heeft de inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag tot naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.510 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 340.329 en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 4Gronden Ten aanzien van het geschil Ten aanzien van de eerste vraag 4.1. Artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 bepaalt dat als eigen woning (onder meer) wordt aangemerkt een gebouw, of een gedeelte van een gebouw, met de daartoe behorende aanhorigheden, voor zover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden, anders dan tijdelijk, als hoofdverblijf ter beschikking staat. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van een aanhorigheid is van belang of de aangekochte percelen weiland behoren bij de eigen woning, daarbij in gebruik zijn en daaraan dienstbaar zijn. Alleen als aan deze drie eisen is voldaan, is sprake van een aanhorigheid in de zin van artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001. Tussen partijen is niet in geschil dat het woonperceel (zie 2.1, onder a) als eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 kan worden aangemerkt en dat de percelen C63 en C64 bij die eigen woning in gebruik zijn. Ten aanzien van de eerste vraag spitst het geschil zich derhalve toe op het antwoord op de vraag of de percelen C63 en C64 behoren bij de eigen woning en daaraan dienstbaar zijn. 4.2. Belanghebbende heeft gesteld dat de percelen C63 en C64 behoren bij de eigen woning omdat zij samen met het woonperceel als landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928 zijn aangemerkt, de percelen op beperkte afstand van de eigen woning zijn gelegen en vanaf de eigen woning eenvoudig te bereiken zijn. Daarnaast heeft belanghebbende gesteld dat de percelen C63 en C64 dienstbaar zijn aan de eigen woning omdat die percelen het vrije uitzicht vanuit de eigen woning garanderen (de zogenoemde ‘unverbaubarer blick’) en dat vrije uitzicht een verhoging van de waarde van de woning en van het woongenot met zich meebrengt. 4.3. De inspecteur stelt dat de percelen C63 en C64 niet tot de eigen woning behoren omdat die percelen van de eigen woning worden gescheiden door een openbare weg en zich tussen die weg en de percelen een niet te dempen sloot bevindt. Daarnaast stelt de inspecteur dat een vrij uitzicht weliswaar het woongenot kan verhogen en een meerwaarde van de eigen woning met zich mee kan brengen, maar dat een vrij uitzicht onvoldoende is voor de conclusie dat de percelen C63 en C64 dienstbaar zijn aan de eigen woning. 4.4. Het hof zal allereerst de vraag beantwoorden of de percelen C63 en C64 functioneel dienstbaar zijn aan de eigen woning. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Tot de functies van de eigen woning behoren niet alleen het bieden van beschermde gelegenheid tot het slapen, eten/drinken en verblijf, maar ook het bieden van de mogelijkheid om één of meer auto’s te stallen, het bieden van algemene opslagruimte en het bieden van gelegenheid tot het uitoefenen van hobby’s. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is geworden dat de percelen C63 en C64 verband houden met de functies van de eigen woning. De enkele omstandigheid dat die percelen het vrije uitzicht vanuit de eigen woning garanderen en dat dit vrije uitzicht het woongenot van belanghebbende verhoogt, is daarvoor onvoldoende. De verhoging van belanghebbendes woongenot is een subjectieve omstandigheid. Die omstandigheid betekent niet dat de percelen in objectieve zin functioneel dienstbaar zijn aan de eigen woning. 4.5. Op grond van het voorgaande kunnen de percelen C63 en C64 niet als aanhorigheden van de eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 worden aangemerkt. De vraag of de percelen behoren bij de eigen woning hoeft niet meer beantwoord te worden. Ten aanzien van de tweede vraag 4.6. Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat bij hem door de inspecteur het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de rente die verband houdt met de lening voor de aanschaf van het perceel C63 als aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning in de zin van artikel 3.120, lid 1, Wet IB 2001 kan worden aangemerkt. Belanghebbende leidt dit af uit de specifieke, op de financiering van de eigen woning gerichte, vraagstelling door de inspecteur ten behoeve van de aanslagregeling voor de jaren 2003 en 2004 en uit de omstandigheid dat de inspecteur de aanslagen IB/PVV over die jaren en de jaren daarna conform de ingediende aangiften heeft opgelegd. Daarnaast heeft belanghebbende gesteld dat bij de inspecteur het nodige inzicht heeft bestaan – althans behoorde te bestaan – omtrent de besteding van de door belanghebbende van [bedrijf 1] B.V. verkregen geldlening van € 177.655 omdat de onderhandse akte van die geldlening als bijlage bij de brief van 21 september 2006 moet zijn gevoegd. 4.7. De inspecteur stelt dat de behandeling van de aangiften over de jaren 2003 en 2004 bij belanghebbende niet de indruk heeft kunnen wekken dat ten aanzien van het perceel C63 sprake is van een aanhorigheid in de zin van artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 omdat hij met de verzoeken om informatie ten aanzien van de aangiften IB/PVV over de jaren 2003 en 2004 geen enkele uitlating heeft gedaan over de fiscale duiding van perceel C63 en dat de verwerving van dat perceel tijdens de aanslagregeling voor die jaren op geen enkele wijze door hem aan de orde is gesteld. Daarnaast heeft belanghebbende met de brieven van 10 februari 2006 en 21 september 2006 geen inzage gegeven in de besteding van de door hem geleende gelden bij [bedrijf 1] B.V., anders dan een duiding als eigen woningschulden of schulden behorende tot de grondslag van box 3 in de vorm van cijfermatige opstellingen, aldus de inspecteur. 4.8. Voor het in rechte te beschermen vertrouwen is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. Die omstandigheden kunnen onder meer zijn gelegen in de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde had gesteld, in de vaststelling van een aanslag na raadpleging van bewijsstukken, na gehouden besprekingen of gevoerde correspondentie, dan wel in overeenstemming met eerder verstrekte, voor de toen op te leggen aanslag van belang zijnde inlichtingen, of in de tegemoetkoming aan een bezwaar betreffende dezelfde, zich onveranderd voordoende, aangelegenheid. 4.9. Tot Bijlage A van de brief van 21 september 2006 behoort de onderhandse akte van geldlening met dagtekening 14 oktober 2003 waarin de geldlening van € 177.655 is vastgelegd. In de considerans van die tot de gedingstukken behorende akte is onder de aanhef en punt c het volgende opgenomen: ‘In aanmerking nemende dat [bedrijf 1] B.V. aan Schuldenaar in 2002 (…) aanvullend een bedrag heeft verstrekt ter grootte van € 177.655, dat diende ter financiering van de aankoop van een perceel grond gelegen aan [adres] te [woonplaats] .’ Uit de akte van geldlening van 14 oktober 2003 leidt het hof af dat daarin niet wordt aangeduid dat de desbetreffende geldlening diende ter financiering van de aankoop van het perceel C63. Daaruit volgt dat de inspecteur uit de door belanghebbende bij de brief van 21 september 2006 overgelegde akte van geldlening van 14 oktober 2003 niet kon afleiden dat die akte betrekking had op de geldlening voor de aanschaf van het perceel C63 en dat de verwerving en de financiering van dat perceel in de brief van 21 september 2006 niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde is gesteld. Bovendien stelt het hof vast dat de verwerving en de financiering van perceel C63 ook overigens niet tijdens de aanslagregeling voor de jaren 2003 en 2004 uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde is gesteld. Naar het oordeel van het hof hebben deze feiten en omstandigheden bij belanghebbende niet de indruk kunnen wekken dat de inspecteur een weloverwogen standpunt heeft ingenomen omtrent de kwalificatie van de rente die verband houdt met de lening voor de aanschaf van het perceel C63. 4.10. Op grond van 4.8 en 4.9 is het hof van oordeel dat door de inspecteur bij belanghebbende niet het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de rente die verband houdt met de lening voor de aanschaf van het perceel C63 als aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning in de zin van artikel 3.120, lid 1, Wet IB 2001 kan worden aangemerkt. Het hof beantwoordt de tweede vraag ontkennend. Tussenconclusie 4.11. De slotsom is dat het principale hoger beroep ongegrond is en dat het incidentele hoger beroep gegrond is. Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding 4.12. Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting van dit belastinggeschil. 4.13. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overtreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. 4.14. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure niet is overschreden. 4.15. Op grond van het voorgaande wijst het hof het verzoek van belanghebbende om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Ten aanzien van het griffierecht 4.16. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht aan belanghebbende te laten vergoeden omdat de uitspraak van de rechtbank uitsluitend wordt vernietigd op grond van het door de inspecteur ingestelde incidentele hoger beroep. Ten aanzien van de proceskosten 4.17. Het hof acht geen reden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. 5Beslissing Het hof: - verklaart het principale hoger beroep ongegrond; - verklaart het incidentele hoger beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak van de rechtbank; - verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond; - wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door M.M. de Werd, voorzitter, P.C. van der Vegt en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van P.A. Flutsch als griffier. De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op 12 januari 2021 aangetekend aan partijen verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Hoge Raad 16 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5412. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Arnhem 24 februari 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BP5624. Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6600.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/2458 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 april 2025. 1.1. Belanghebbende heeft € 25.588 overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Tegen deze voldoening op aangifte heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. 1.2.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende het juiste bedrag aan overdrachtsbelasting op aangifte heeft voldaan. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende het juiste bedrag aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende heeft een onroerende zaak gekocht aan de [adres 1] voor een bedrag van € 725.000. De woning is in de leveringsakte als volgt omschreven: “het woonhuis met erf, ondergrond, tuin, agrarische grond, en verdere aanhorigheden gelegen te [adres 1] , kadastraal bekend [gemeente 1] , [kadastraal nummer] ter grootte van twee hectare, twee are en vijfentachtig centiare (2 ha 2 a 85 ca),” 3.1. Ter plaatse van de woning gold in het jaar 2024 het bestemmingsplan ‘buitengebied 2e herziening’ van de [gemeente 2] .

Het bestemmingsplan is digitaal en openbaar raadpleegbaar in het Omgevingsloket via omgevingswet.overheid.nl. De (geanonimiseerde) weergave van de vermelding van de onroerende zaak van belanghebbende in deze database ziet er zo uit (waarbij de woning van belanghebbende is aangeduid als x): 3.2. In artikel 3 van het bestemmingsplan staat – voor zover hier van belang – vermeld: “De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor: (…) s. tuinen behorende bij aangrenzende bestemmingen;” 3.3. Op pagina 12 van de koopovereenkomst staat – voor zover hier van belang – vermeld:

“Oogst agrarische gronden De verkoper behoudt het recht om het reeds aangeplante agrarische perceel te onderhouden tot aan de oogst van de gewassen, die naar verwachting medio augustus van het lopende jaar zal plaatsvinden. Dit omvat alle noodzakelijke maatregelen voor het behoud en de verzorging van de gewassen tot aan de oogstdatum. Na de oogst van de gewassen zal het volledige agrarische perceel, inclusief eventuele overgebleven gewassen of restanten, worden overgedragen aan de koper. De koper zal het agrarische perceel en de gewassen respecteren als eigendom van de verkoper tot aan de volledige overdracht na de oogst.

De koper zal geen handelingen verrichten die de groei of kwaliteit van de gewassen zouden kunnen schaden.” 3.4. In een addendum bij de koopovereenkomst staat – voor zover hier van belang – vermeld: “Partijen stellen hierbij vast dat de tekst op pagina 12 van 12 van de op 19 april 2024 getekende koopovereenkomst op gespannen voet staat met de artikelen 4.2, 7.1 en 10.1 uit dezelfde koopovereenkomst en niet strookt met hetgeen zij hebben beoogd te regelen. Deze pagina 12 is dan ook mede tot stand gekomen onder invloed van wederzijdse dwaling en dient daarom volledig geschrapt te worden uit de koopovereenkomst.

Die hier en thans afgelegde gezamenlijke verklaring beoogt in de plaats te treden van de geschrapte tekst. (…) Verkoper verklaart hierbij dat het verkochte perceel altijd als eenheid heeft gefunctioneerd. De grond heeft altijd bij de woning gehoord, is altijd in gebruik geweest vanuit de woning en is ook altijd dienstbaar geweest aan zijn woning, zijn bewoners en gebruikers. Koper verklaart hierbij dat hij de aangekochte woning na verkrijging anders dan tijdelijks als hoofdverblijf gaat gebruiken. Koper verklaart tevens dat hij de aangekochte grond na verkrijging wil gaan gebruiken als tuin conform de door verkoper verschafte informatie en conform de door [gemeente 2] vastgestelde bestemmingsregels (artikel 3 sub s van hoofdstuk 2 van het vingerende bestemmingsplan).” 3.5.

In de leveringsakte staat verder – voor zover hier van belang – het volgende vermeld: “OVERDRACHTSBELASTING Wegens de levering van het verkochte is overdrachtsbelasting verschuldigd. De overdrachtsbelasting komt voor rekening van koper. De overdrachtsbelasting is verschuldigd over de koopprijs, aangezien deze ten minste gelijk is aan de waarde van het verkochte. Verklaring laag tarief overdrachtsbelasting Koper verklaart dat hij de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. In verband met de overdrachtsbelasting is het perceel fictief gesplitst in woongedeelte en in een perceel agrarische grond.

Voor de woning wordt een koopsom gehanteerd van vijfhonderddrieënnegentigduizend euro (€ 593.000,00) zijnde de huidige WOZ-waarde. Voor het perceel agrarische grond van een hectare en vijfenzeventig are (1 ha 75 a ) is een koopsom van éénhonderdtweeëndertigduizend euro (€ 132.000,00) gehanteerd. De verschuldigde overdrachtsbelasting voor de woning is vastgesteld naar het tarief van twee procent (2%) over de koopsom die van toepassing is op het gedeelte woning, derhalve een bedrag van elfduizend achthonderdzestig euro (€ 11.860,00). Voor de aankoop van de agrarische grond is de verschuldigde overdrachtsbelasting vastgesteld op een tarief van tien vier/tiende procent (10,4%), derhalve een bedrag van dertienduizend zevenhonderdachtentwintig euro (€ 13.728,00) In totaal is een bedrag aan vijfentwintigduizend vijfhonderdachtentachtig euro (€ 25.588,00) aan overdrachtsbelasting verschuldigd.” 3.6.

Namens belanghebbende is € 25.588 overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. 3.7. De inspecteur heeft gedurende de bezwaarfase een derdenonderzoek ingesteld bij de [makelaar] en van de makelaar informatie ontvangen over de verkoop van de woning. 3.8. De inspecteur heeft op basis van artikel 55 van de AWR ook een aantal vragen gesteld aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over het gebruik van het agrarisch perceel in de jaren voor de verkoop. In de e-mail van 14 oktober 2024 van een medewerker van de RVO staat – voor zover hier van belang – vermeld:

“Het betreffende perceel wordt in de gevraagde jaren opgegeven door [maatschap] , [adres 2] in de Gecombineerde Opgave met gebruikscode 02 (reguliere pacht). Overigens is dat de opgave van de relatie aangezien RVO de gebruikscode niet controleert. Verder hebben wij hiervan geen pachtovereenkomst. Hiervoor willen wij u verwijzen naar de relatie dan wel de grondkamer. De grondkamer mag deze gegevens niet uit leveren ook niet op basis van het genoemde artikel. De [maatschap] heeft het in de gevraagde jaren de volgende gewassen er op geteeld met daarbij de geteelde oppervlakte: 2017 met gewascode 3506 (engels raaigras), 1,76 ha 2018 met gewascode 383 (graszaad), 1,76 ha 2019 met gewascode 262 (uien, zaai), 1,76 ha 2020 met gewascode 2014 (consumptie-aardappelen), 1,76 ha 2021 met gewascode 233 (wintertarwe), 1,76 ha 2022 met gewascode 235 (wintergerst), 1,76 ha 2023 met gewascode 233 (wintertarwe), 1,7503 ha 2024 met gewasscode 233 (wintertarwe), 1,735 ha en gewascode 6751 (engels raaigras, groenbemesting, vanggewas), 0,0367 ha” Motivering Vooraf Heeft de inspecteur de omvang van het geschil ten onrechte verruimd? 4.

Belanghebbende stelt dat het geschil uitsluitend ziet op het toepasselijke tarief voor de overdrachtsbelasting, uitgaande van hetgeen in de leveringsakte is vermeld. In de leveringsakte heeft de notaris volgens belanghebbende vastgesteld dat sprake is van een woning met aanhorigheden. De inspecteur en de rechtbank moeten daar volgens belanghebbende van uitgaan. Daarom hoeft niet meer te worden beoordeeld of het agrarische perceel kan worden aangemerkt als een aanhorigheid bij de woning als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV).

Door dat in bezwaar toch te beoordelen heeft de inspecteur het geschil volgens belanghebbende ten onrechte verruimd. 4.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het geschil in bezwaar niet ten onrechte verruimd. Belanghebbende stelt de tariefstelling aan de orde, de inspecteur mag in het kader van volledige heroverweging in bezwaar in volle omvang beoordelen of aan de voorwaarden voor dat tarief is voldaan. Daarbij is de inspecteur ook niet gebonden aan de kwalificatie die de notaris heeft gegeven aan hetgeen is overgedragen. De inspecteur moet zelfstandig beoordelen of aan de voorwaarden voor het toepasselijke tarief is voldaan en heeft dat naar het oordeel van de rechtbank dus terecht zelfstandig beoordeeld.

Heeft de inspecteur teveel informatie opgevraagd en overgelegd? 4.2. Gelet op wat hiervoor is overwogen, faalt ook het betoog van belanghebbende dat de inspecteur zonder noodzaak derdenonderzoeken heeft ingesteld en, zo begrijpt de rechtbank, te veel stukken heeft overgelegd. De inspecteur mocht informatie bij derden opvragen. Die bevoegdheid is niet beperkt tot gevallen waarin de informatie niet bij belanghebbende zelf kan worden verkregen. Ook bestaat er, anders dan belanghebbende meent, geen wettelijke verplichting om belanghebbende van een dergelijk derdenonderzoek in kennis te stellen.

Verder is de inspecteur in beginsel gehouden alle stukken die hem ter beschikking hebben gestaan bij de beslechting van het geschil over te leggen. De inspecteur heeft die stukken overgelegd en heeft dat naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht gedaan. Is het inzagerecht geschonden? 4.3. Belanghebbende stelt dat zijn hoor- en inzagerecht is geschonden omdat hij niet eerder kennis heeft kunnen nemen van alle stukken waarop de inspecteur zich in de uitspraak op bezwaar op heeft gebaseerd. De rechtbank volgt hem daarin niet voor zover het gaat om het moment van het hoorgesprek.

Ten tijde van het hoorgesprek op 8 oktober 2024 waren de uit het derdenonderzoek verkregen gegevens nog niet beschikbaar. De onderzoeken zijn pas in november 2024 ingesteld. Van een schending van het hoor- of inzagerecht is dus geen sprake. 4.4. De rechtbank stelt wel vast dat belanghebbende voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar niet in de gelegenheid is gesteld om nog te reageren op de uit het derdenonderzoek verkregen informatie die is gebruikt bij de beslissing op bezwaar. Die informatie is pas na het hoorgesprek binnen gekomen bij de inspecteur, zo begrijpt de rechtbank.

Hoewel het in het kader van het beginsel van hoor en wederhoor vereist is dat de inspecteur de visie van belanghebbende daarop vraagt, zeker wanneer die stukken gebruikt worden, ziet de rechtbank in dit geval onvoldoende aanleiding om gevolgen te verbinden aan het gegeven dat belanghebbende op deze stukken logischerwijs niet heeft kunnen reageren bij het hoorgesprek – de stukken waren er immers nog niet – en de zaak terug te verwijzen naar de inspecteur. Het betreft informatie waarover belanghebbende zelf grotendeels al beschikte en belanghebbende heeft in beroep alsnog voldoende gelegenheid gehad om op deze informatie te reageren.

Schending fair-play beginsel 4.5. Belanghebbende stelt nog dat de inspecteur het fair-play beginsel heeft geschonden door in het kader van een compromisbespreking een volgens belanghebbende onredelijk aanbod te doen en daarbij te wijzen op de mogelijkheid van het opleggen van een naheffingsaanslag indien het aanbod niet zou worden aanvaard. De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet. Het stond de inspecteur vrij om in het kader van een compromisbespreking zijn standpunt en procespositie kenbaar te maken en een voorstel te doen om tot een oplossing te komen.

Het doen van een voorstel maakt ook niet dat de inspecteur dan ineens gebonden is om de naheffingsaanslag te beperken tot maximaal het gedane voorstel in het kader van compromisbesprekingen. De rechtbank ziet aldus geen schending van het fair-play beginsel. Inhoudelijk 5. Het geschil ziet inhoudelijk op de vraag of het perceel met agrarische bestemming is aan te merken als een aanhorigheid bij de woning als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet BRV (zie ook 4.1). Ook de rechtbank moet dit zelfstandig beoordelen en is, in tegenstelling tot de opvatting van belanghebbende, daarbij niet gebonden aan de kwalificatie van het perceel door de notaris. 5.1.

Bij de beoordeling van het geschil is van belang of het perceel ten tijde van de verkrijging naar objectieve maatstaven behoort bij de woning, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is.Niet relevant is of de verkrijger subjectief het inzicht heeft of de bedoeling heeft dat het perceel daaraan voldoet of zal voldoen, bijvoorbeeld door het oogmerk om na de verkrijging een tuin aan te leggen. Tot de functies van de eigen woning behoren niet alleen het bieden van een beschermde gelegenheid tot het slapen, eten/drinken en verblijf, maar ook (onder meer) het bieden van gelegenheid tot het uitoefenen van hobby’s. 5.2.

Het ligt op de weg van belanghebbende, die pleit voor toepassing van het verlaagde tarief op de volledige verkrijging, feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het perceel als aanhorigheid in hiervoor bedoelde zin kan worden aangemerkt. 5.3. Belanghebbende stelt dat het perceel moet worden aangemerkt als een aanhorigheid bij de woning. Volgens belanghebbende is het perceel vrij van huur en elk ander gebruiksrecht verkregen, kadastraal verbonden met de woning en dienstbaar aan de woning omdat deze kan worden gebruikt voor hobbydoeleinden, zoals tuin of hobbylandbouw.

De inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist. 5.4. De rechtbank overweegt als volgt. In de oorspronkelijke koopovereenkomst is opgenomen dat het perceel ten tijde van de verkoop was beplant met wintertarwe en dat de verkoper het recht behield deze tot aan de oogst te onderhouden (zie 3.3). In een later addendum verklaren partijen weliswaar dat deze passage niet overeenstemt met hetgeen zij hebben beoogd te regelen en dat het perceel altijd dienstbaar is geweest aan de woning en zijn bewoners (zie 3.4). Het dossier bevat echter zwaarwegende aanwijzingen dat het perceel in de jaren voor de verkoop juist bedrijfsmatig werd gebruikt en dus niet dienstbaar was aan de woning.

Zo blijkt uit de informatie van de RVO (zie 3.8) dat [maatschap] het perceel in de jaren voorafgaand aan de verkoop heeft opgegeven als landbouwgrond en daarop gewassen heeft geteeld. In 2024 werd volgens de informatie van het RVO op het perceel nog wintertarwe geteeld. Dat stemt overeen met hetgeen is vermeld in de oorspronkelijke koopovereenkomst. De rechtbank ziet daarin sterke aanwijzingen dat het perceel tot en met het moment van de verkrijging bedrijfsmatig werd gebruikt en niet dienstbaar was aan de woning. Verder blijkt uit luchtfoto’s die tot de gedingstukken behoren dat het erf van de woning door middel van beplanting en bebouwing is afgescheiden van het agrarische perceel.

Ook dit vormt voor de rechtbank een aanwijzing dat het perceel ten tijde van de verkrijging niet bij de woning in gebruik was. Alles in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat het perceel niet kan worden aangemerkt als een aanhorigheid bij de woning als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet BRV. 5.5. Belanghebbende stelt nog dat hij vertrouwen kan ontlenen aan een beroepschrift in cassatie van de staatssecretaris van Financiën in de procedure met nummer ECLI:NL:HR:1993:ZC5412. Volgens belanghebbende volgt uit dat beroepschrift dat een zaak als aanhorigheid kan worden aangemerkt indien sprake is van geografische en organisatorische verbondenheid met de woning en dat het gebruik van de zaak daarbij niet doorslaggevend is.

De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet. Aan uitlatingen van een bestuursorgaan kan onder omstandigheden vertrouwen worden ontleend. De uitlating van de staatssecretaris in een beroepschrift in een cassatieprocedure kan echter niet worden aangemerkt als een toezegging of standpunt waarop belanghebbende in zijn concrete geval in rechte te respecteren vertrouwen kon ontlenen. De uitlating is gedaan in de context van een andere procedure, met andere feiten en omstandigheden en is niet tot belanghebbende gericht. Reeds daarom slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. 5.6.

Het voorgaande betekent dat het tarief als genoemd in artikel 14, eerste lid, van de Wet BRV van toepassing is op de verkrijging van de het agrarische perceel door belanghebbende. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende het juiste bedrag aan overdrachtsbelasting op aangifte heeft voldaan. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende het juiste bedrag aan overdrachtsbelasting op aangifte heeft voldaan. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Artikel 7:11 van de Awb. Artikel 53 van de AWR. Artikel 8:42 van de Awb. Hoge Raad 16 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5412. Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9067.

Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4057, r.o. 4.4.