Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:8528 ECLI:NL:RBZWB:2025:8528 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:8528 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:8528
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/412 PW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.J. Brosius), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, college. Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over een door het college aan eiser opgelegde bestuurlijke boete (€ 5.400,-) vanwege een schending van de inlichtingenplicht. Eiser is het niet eens met de opgelegde boete. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

Legislator headnote

AI generated

artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6 EVRM; ECLI:NL:RBZWB:2025:8528 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Ten slotte verzoekt eiser om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Oordeel van de rechtbank Omvang van het geding 5. Niet in geschil is de mate van verwijtbaarheid. De omvang van het geding beperkt zich tot de vraag of eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat er per 4 september 2021 geen sprake was van duurzaam gescheiden leven tussen hem en [naam 2] en de hoogte van de boete.

Keywords

AI generated
inducement to breach of contract pre-contractual information obligations breach of loyalty duty misleading advice refund of contributions to foreigners goodwill indemnity

Cited Legislation

AI generated
artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht moet voor het verhoor aan de betrokkene worden medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
artikel 6 EVRM
Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBZWB:2022:5825
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/4007 PW VV uitspraak van 7 oktober 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker], verzoeker, gemachtigde: mr. J.J. Brosius, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 juli 2022 (bestreden besluit) van het college inzake de intrekking en terugvordering van zijn recht op een bijstandsuitkering. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
ECLI:NL:RBZWB:2024:4925
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: BRE 23/5 en 23/6 PW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats 1] , eiser (gemachtigde: mr. J.J. Brosius), en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, het college (gemachtigde: mr. M.R. Wildeboer). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de intrekking en terugvordering van zijn bijstandsuitkering. 1.1. Met de bestreden besluiten van 18 november 2022 op de bezwaren van eiser is het college bij die besluiten gebleven. 1.2.
ECLI:NL:HR:2019:1786
Indien het beroep is ingesteld tegen een bestuurlijke boete is, in afwijking van de artikelen 8:27 en 8:28, de partij aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, niet verplicht omtrent de overtreding verklaringen af te leggen. Voor de bestuursrechter deze partij verhoort, deelt hij haar mede dat zij niet verplicht is tot antwoorden. 2.6.2 Deze bepaling roept de vraag op of het tweede lid alleen betrekking heeft op de situaties die zijn genoemd in de in het eerste lid genoemde bepalingen, met name artikel 8:27 Awb, waarin is voorzien dat de rechter een partij kan oproepen om te verschijnen teneinde inlichtingen te verstrekken. 2.6.3 Dat is naar het oordeel van de Hoge Raad niet het geval. Uit het woord ‘verhoort’ in artikel 8:28a, lid 2, Awb in samenhang met de parlementaire geschiedenis van deze bepaling blijkt dat de mededeling dat antwoorden niet verplicht is, moet worden gedaan in alle gevallen waarin anders dan schriftelijk vragen aan de belanghebbende worden gesteld die betrekking hebben op een bestuurlijke boete (zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 99). 2.6.4 Dat strookt met de betekenis en de uitleg van verhoorvoorschriften in het door het Wetboek van Strafvordering (hierna:
ECLI:NL:CRVB:2016:2209
13/2515 WMO, 13/6972 WMO Datum uitspraak: 15 juni 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikelen 8:73a, 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2013, 12/3038 en 28 november 2013, 13/1845 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) PROCESVERLOOP De Raad heeft op 29 juli 2015 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2015:2700), waarbij het college is opgedragen de gebreken in de besluiten van 18 juni 2012 (bestreden besluit 1) en 28 februari 2013 (bestreden besluit 2) te herstellen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/412 PW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.J. Brosius), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, college. Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over een door het college aan eiser opgelegde bestuurlijke boete (€ 5.400,-) vanwege een schending van de inlichtingenplicht. Eiser is het niet eens met de opgelegde boete. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college op goede gronden de boete heeft opgelegd. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op goede gronden een boete aan eiser heeft opgelegd vanwege een schending van de inlichtingenplicht. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 november 2023 (bestreden besluit). Het college heeft gereageerd op het beroep met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens het college [naam 1] . Voor eiser is ook verschenen als tolk, in de taal Frans, [tolk] . Ter zitting is het onderzoek geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen om te onderzoeken of het geschil in onderling overleg opgelost kon worden en om eiser in de gelegenheid te stellen om aanvullende stukken te overleggen. Op 28 november 2024 heeft de rechtbank de aanvullende stukken (met betrekking tot de eerder ingediende zienswijze) ontvangen.

Bij brief van 27 november 2024 is door het college medegedeeld dat partijen nog niet samen tot een oplossing zijn gekomen en is namens beide partijen verzocht om een nadere termijn van drie weken. Nadien hebben partijen de rechtbank laten weten dat zij er niet samen zijn uitgekomen. Op 3 januari 2025 heeft de rechtbank partijen verzocht om aan te geven of een nadere zitting gewenst is, waarop zijdens eiser is verzocht om een nadere zitting. Op 2 april 2025 heeft eiser aan de rechtbank laten weten dat hij nog stukken probeert te verkrijgen. Hierbij verzoekt eiser de zitting na 1 juni 2025 te plannen.

Bij brief van 17 april 2025 heeft de rechtbank dit verzoek toegewezen. Op 15 augustus 2025 heeft de rechtbank partijen uitgenodigd voor een nadere zitting. Eiser heeft om uitstel verzocht van deze zitting. Bij brief van 1 oktober 2025 heeft eiser laten weten dat het hem niet is gelukt om nadere stukken aan te leveren. Om die reden acht eiser een nadere zitting niet meer nodig. De rechtbank heeft het onderzoek op 7 oktober 2025 gesloten, omdat geen van de partijen heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Feiten en omstandigheden 2. Eiser ontving sinds 18 maart 2009 samen met mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ) een uitkering op grond van de Participatiewet naar de norm voor gehuwden. Op 4 september 2021 heeft eiser aan het college gemeld dat [naam 2] naar België is verhuisd. Met het besluit van 3 december 2021 heeft het college aan eiser per 4 september 2021 een uitkering naar de norm van een alleenstaande toegekend. Met het besluit van 11 juli 2022 (het intrekkingsbesluit) heeft het college eisers recht op uitkering per 4 september 2021 op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet ingetrokken.

Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoende heeft aangetoond dat hij duurzaam gescheiden leeft van [naam 2] . De over de periode van 4 september 2021 tot en met 31 maart 2022 verstrekte uitkering ter hoogte van € 8.110,31 (bruto) is van eiser teruggevorderd. Bij brief van 19 juli 2022 heeft het college een voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete (€ 7.210,-) op grond van artikel 18a van de Participatiewet kenbaar gemaakt aan eiser. Hierbij heeft het college eiser de mogelijkheid gegeven om zijn zienswijze naar voren te brengen.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het intrekkingsbesluit. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 7 oktober 2022 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek afgewezen. Met het besluit van 18 november 2022 heeft het college het bezwaar van eiser gericht tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard. Het intrekkingsbesluit is in stand gelaten, onder wijziging van de motivering. De grondslag voor de intrekking van het recht op bijstand is dat eiser in strijd met de op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet op hem rustende inlichtingenplicht niet heeft gemeld dat per 4 september 2021 geen sprake is van duurzaam gescheiden leven.

Ook heeft hij geen melding gemaakt van de Litouwse bankrekening die op zijn naam staat. De intrekking is daarmee gebaseerd op artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Participatiewet. Het daartegen gerichte beroep van eiser is op 16 juli 2024 door de rechtbank ongegrond verklaard. Ondertussen heeft het college met het besluit van 19 januari 2023 (primair besluit) een bestuurlijke boete aan eiser opgelegd van € 5.400,- op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Participatiewet. Eiser heeft op 2 maart 2023 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Bestreden besluit 3. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op goede gronden een bestuurlijke boete (€ 5.400,-) aan eiser is opgelegd vanwege schending van de inlichtingenplicht. Eiser heeft zijn inlichtingenplicht geschonden door niet te melden dat er per 4 september 2021 geen sprake was van duurzaam gescheiden leven tussen hem en [naam 2] . Ook heeft hij geen melding gemaakt van de Litouwse bankrekening die op zijn naam staat.

Eiser heeft in strijd met de inlichtingenplicht doen voorkomen alsof hij duurzaam gescheiden leefde van [naam 2] . Verder bestaat er geen aanleiding om de boete vanwege financiële omstandigheden verder te matigen, omdat de financiële positie van eiser onduidelijk is. Ten slotte is de overschrijding van de wettelijke beslistermijn te wijten aan de gemachtigde van eiser. Beroepsgronden 4. Eiser stelt dat het college zich niet met succes kan beroepen op een omkering van de bewijslast. Ook voldoet de bestuurlijke boete niet aan de moderne evenredigheidsvereisten.

De boete is niet geschikt om het nagestreefde doel te bereiken, is niet noodzakelijk en is in de situatie van eiser disproportioneel. Aanvullend voert eiser nog aan dat de boete geen stand kan houden, omdat hem tijdens gesprekken op 1 april 2022 en 22 april 2022 met de sociaal rechercheurs niet de cautie is gegeven. Verder volgt niet uit het onderzoek dat eiser niet duurzaam gescheiden zou leven van [naam 2] . Vanaf het moment van de melding van eiser voeren hij en [naam 2] geen gemeenschappelijke huishouding meer. Voorts moet de boete worden verminderd conform de periode van herziening (lees: intrekking) en terugvordering.

Ten slotte verzoekt eiser om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Oordeel van de rechtbank Omvang van het geding 5. Niet in geschil is de mate van verwijtbaarheid. De omvang van het geding beperkt zich tot de vraag of eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat er per 4 september 2021 geen sprake was van duurzaam gescheiden leven tussen hem en [naam 2] en de hoogte van de boete.

Schending inlichtingenplicht? 6.1. Op grond van artikel 18a van de Participatiewet, voor zover hier van belang, legt het college een bestuurlijke boete op indien de belanghebbende de op hem rustende inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, heeft geschonden. 6.2. Eiser voert aan dat uit het onderzoek niet volgt dat hij niet duurzaam gescheiden zou leven van [naam 2] . Vanaf het moment van zijn melding bij het college voeren hij en [naam 2] geen gemeenschappelijke huishouding meer. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond van eiser zo, dat hij stelt de inlichtingenplicht niet te hebben geschonden. 6.3.

De rechtbank heeft in de eerdere uitspraak van 16 juli 2024 onder r.o.

17. uitgebreid gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding om in deze zaak van dit oordeel af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser had redelijkerwijs kunnen en moeten weten dat hij aan het college had moeten melden dat hij niet duurzaam gescheiden leefde van [naam 2] . Cautie 7.1. Op grond van artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht moet voor het verhoor aan de betrokkene worden medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden. 7.2.

Volgens het college bestond er tijdens de gesprekken op 1 april 2022 en 22 april 2022 nog geen voornemen tot het opleggen van een boete, zodat er geen sprake was van een verhoor waarbij de cautie gegeven moet worden. 7.3. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of er verzuimd is om aan eiser de cautie te geven, omdat eiser door dat (vermeende) verzuim niet in zijn belangen is geschaad. Dat is het geval, omdat de door eiser in die gesprekken afgelegde verklaringen niet van belang zijn voor de beslissing dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden.

Dat oordeel berust op de feitelijke vaststelling dat eiser het bestaan van de Belgische bankrekening niet bij het college heeft gemeld. Hoogte en evenredigheid 8.1. De hoogte van de boete is gerelateerd aan de hoogte van het benadelingsbedrag van (netto) € 7.218,94 (x 75% is afgerond € 5.400,-). Het benadelingsbedrag heeft betrekking op de bijstand die ten onrechte aan eiser is verstrekt in de periode van 4 september 2021 tot en met 31 maart 2022. De rechtbank ziet geen redenen voor een correctie c.q. vermindering. 8.2. De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn stelling dat de opgelegde boete van € 5.400,- onevenredig is.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze hoogte evenredig aan de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid. De opgelegde boete is naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden. Gesteld noch gebleken is verder van dringende redenen die aanleiding moeten geven om af te zien van het opleggen van de boete. Overschrijding van de redelijke termijn 9.1. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Een dergelijk verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

De berechting van een zaak door de rechtbank is niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt in beginsel aan op het moment dat het college het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment dat over het geschil en alle daarmee samenhangende kosten is beslist. 9.2. Het college heeft erkend dat de behandeling van het bezwaar onredelijk lang heeft geduurd, maar stelt dat de termijnoverschrijding volledig aan eiser te wijten is. 9.3.

De rechtbank stelt vast dat door eiser op 2 maart 2023 het bezwaarschrift tegen het primaire besluit is ingediend. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift door het college gericht tegen het primaire besluit en het doen van (eind)uitspraak in eerste aanleg ligt een periode van twee jaar en acht maanden. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn van acht maanden. 9.4. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan het procesgedrag van eiser(s gemachtigde) is te wijten. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de procedure in bezwaar ruim een half jaar is vertraagd doordat het door diverse redenen aan de zijde van eiser c.q. zijn gemachtigde geruime tijd niet lukte om een hoorzitting te plannen.

Daarnaast zijn er in beroep acht maanden verstreken tussen het moment waarop namens eiser werd verzocht om een nadere zitting en het moment waarop daar alsnog vanaf werd gezien. Daarom zal het verzoek om vergoeding van immateriële schade worden afgewezen. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr.S.C.J.J. van Roij, griffier op 9 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Participatiewet (Pw) Artikel 17, eerste lid De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. Artikel 18a, eerste lid Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen niet opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

ECLI:NL:RBZWB:2022:5825. ECLI:NL:RBZWB:2024:4925. ECLI:NL:RBZWB:2024:4925. Vgl. Hoge Raad 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786. Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2209.