Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:8331 ECLI:NL:RBZWB:2025:8331 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:8331 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:8331
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/4353 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2025. In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken moet beslissen op de aanvraag van eiser. Eiser stelt op 27 augustus 2025 beroep in omdat verweerder dat volgens hem niet heeft gedaan. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:12 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2025:8331 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. BRE 24/8396, ECLI:NL:RBZWB:2025:619. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. BRE 24/2830, ECLI:NL:RBZWB:2024:3171.

Keywords

AI generated
right to a decision discontinuation of proceedings timeliness of recusal request statute of limitations bar withdrawal of legal petition postponement of trial

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
artikel 6:12 van de Awb
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBZWB:2025:619
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/8396 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 13 mei 2024. In die uitspraak staat dat verweerder binnen negen weken moet beslissen op de aanvraag van eiser. Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens hem niet heeft gedaan. 1.1.
ECLI:NL:RBZWB:2024:3171
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/2830 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:CRVB:2021:2305
204492 WMO15 Datum uitspraak: 10 september 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen: Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1652, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 januari 2020 vernietigd, het beroep van appellante gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 17 december 2019 vernietigd.
ECLI:NL:RVS:2019:673
201808648/1R1.Datum uitspraak: 8 maart 2019 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant], wonend te Bergen (NH), appellant, en de raad van de gemeente Bergen (NH), verweerder. Procesverloop [appellant] heeft in vervolg op de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, nr. 201709325/1/R1, beroep ingesteld tegen het andermaal niet tijdig nemen van een besluit door de raad omtrent vaststelling van het bestemmingsplan "Bergen Dorpskern Zuid". De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2020:3156
202000812/2/R4. Datum uitspraak: 27 maart 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Beek-Ubbergen, gemeente Ubbergen, en het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 augustus 2017 heeft het college de gestelde maatwerkvoorschriften voor de activiteiten van de door [bedrijf] gedreven supermarkt aan de [locatie] te Beek-Ubbergen gewijzigd.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/4353 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2025. In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken moet beslissen op de aanvraag van eiser. Eiser stelt op 27 augustus 2025 beroep in omdat verweerder dat volgens hem niet heeft gedaan. 1.1.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. 2.1.

Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat omdat de rechtbank in haar uitspraken van 13 mei 2024 en 6 februari 2025 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing moest nemen. Is het beroep ontvankelijk? 3. De rechtbank stelt vast dat verweerder na het instellen van het beroep alsnog een besluit heeft genomen op 6 oktober 2025. Hierdoor is het procesbelang aan het beroep gericht tegen het niet op tijd nemen van een besluit komen te vervallen. Het beroep tegen het niet op tijd beslissen op de aanvraag van eiser is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. 3.1.

Op grond van de wet ziet het beroep ook op het alsnog genomen besluit. Uit de brief van 31 oktober 2025 blijkt dat eiser het niet eens is met dat besluit en dat hij bezwaar tegen dit besluit heeft ingesteld. 3.2. Omdat de bezwaarfase nog niet is doorlopen, zal de rechtbank de zaak verwijzen naar verweerder voor een inhoudelijke behandeling van het door eiser ingediende bezwaar. 3.3. Eiser heeft gevraagd om het besluit van 6 oktober 2025 als tussenfase te zien en de druk op het op tijd nemen van een besluit op het reeds ingediende bezwaar te laten bestaan door de dwangsom door te laten lopen tot er een beslissing op bezwaar is genomen of tot de wettelijke maximale dwangsom is bereikt.

De rechtbank merkt op dat dit niet mogelijk is aangezien dit beroep ziet op het niet op tijd beslissen op de aanvraag en op de aanvraag inmiddels is beslist. Als verweerder niet op tijd beslist op het door eiser ingestelde bezwaar, kan eiser (opnieuw) een ingebrekestelling sturen aan verweerder. Mocht verweerder niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een beslissing op het bezwaar nemen, dan kan eiser (opnieuw) een beroep indienen bij de rechtbank. Moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden? 4. Omdat het besluit op de aanvraag van eiser op 6 oktober 2025 is genomen na het instellen van het beroep op 27 augustus 2025 moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit niet-ontvankelijk; verwijst de zaak naar verweerder voor inhoudelijke behandeling van het reeds ingediende bezwaar; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. BRE 24/8396, ECLI:NL:RBZWB:2025:619. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. BRE 24/2830, ECLI:NL:RBZWB:2024:3171.

Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.