Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:74 ECLI:NL:RBZWB:2025:74 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:74 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:74
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/6974 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 januari 2025 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres, (gemachtigde: mr. T. van Uden), en Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 19 februari 2024. In die uitspraak staat dat verweerder binnen tien weken moet beslissen op het bezwaar van eiseres. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens haar niet heeft gedaan. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:12 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2025:74 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. ECLI:NL:RBZWB:2024:993. In deze zaak is op 29 februari 2024 een hersteluitspraak gedaan: ECLI:NL:RBZWB:2024:1278. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156. ECLI:NL:RBGEL:2024:6647. ECLI:NL:RBROT:2024:6560. ECLI:NL:RBZWB:2024:7813. Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 14 november 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7812, r.o. 8.1. Uitspraak van 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4482.

Keywords

AI generated
reasonable duration of the proceedings untimely recusal request right to a decision undue delay in asylum untimely termination timeliness of filing

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
artikel 6:12 van de Awb
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBZWB:2024:993
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/324 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBZWB:2024:1278
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/324 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 februari 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:CRVB:2021:2305
204492 WMO15 Datum uitspraak: 10 september 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen: Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1652, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 januari 2020 vernietigd, het beroep van appellante gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 17 december 2019 vernietigd.
ECLI:NL:RVS:2019:673
201808648/1R1.Datum uitspraak: 8 maart 2019 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant], wonend te Bergen (NH), appellant, en de raad van de gemeente Bergen (NH), verweerder. Procesverloop [appellant] heeft in vervolg op de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, nr. 201709325/1/R1, beroep ingesteld tegen het andermaal niet tijdig nemen van een besluit door de raad omtrent vaststelling van het bestemmingsplan "Bergen Dorpskern Zuid". De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2020:3156
202000812/2/R4. Datum uitspraak: 27 maart 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Beek-Ubbergen, gemeente Ubbergen, en het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 augustus 2017 heeft het college de gestelde maatwerkvoorschriften voor de activiteiten van de door [bedrijf] gedreven supermarkt aan de [locatie] te Beek-Ubbergen gewijzigd.
ECLI:NL:RBGEL:2024:6647
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/4576 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen [naam] , eiseres (gemachtigde: mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/6974 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 januari 2025 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres, (gemachtigde: mr. T. van Uden), en Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 19 februari 2024. In die uitspraak staat dat verweerder binnen tien weken moet beslissen op het bezwaar van eiseres. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens haar niet heeft gedaan. 1.1.

Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? 3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in haar uitspraak van 19 februari 2024 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing op het bezwaar moest nemen.

4. Verweerder heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op het bezwaar van eiseres. Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd? 4.1. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2.

In het verweerschrift van 21 oktober 2024 verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 1 oktober 2024 Rotterdam van 15 juli 2024. 4.3. Een meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 8 oktober 2024 een zaak op zitting behandeld waarin verweerder ook niet binnen de door de rechtbank in een eerdere uitspraak gestelde termijn heeft beslist op het bezwaar. De rechtbank heeft op 14 november 2024 uitspraak gedaan in deze zaak en bepaald dat de lijn die in die uitspraak is uitgezet, geldt voor alle uitspraken die vanaf dat moment worden gedaan in (opvolgende) beroepen over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van deze uitspraak. De lijn van deze rechtbank komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van zestig weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Dit geldt zowel bij eerste als bij opvolgende beroepen. Als de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder niet bekend is, wordt aangesloten bij de datum van verzending van het bezwaarschrift. Wanneer de termijn van zestig weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt.

In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken niet passend is.4.4. De rechtbank stelt vast dat de zestig weken na ontvangst van het bezwaarschrift al zijn verstreken. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen.

Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd? 5. Volgens het landelijke beleid wordt in gevallen als deze, waarin verweerder na een door de rechter gestelde termijn nog steeds geen besluit op het bezwaar heeft genomen, de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om in afwijking van het landelijke beleid een lagere dwangsom op te leggen. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 6.1.

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Deze rechtbank ziet, anders dan de rechtbank Midden-Nederland, geen aanleiding om in afwijking van de hoogste bestuursrechters een lagere wegingsfactor (0,25 in plaats van 0,5), zoals verzocht door verweerder, toe te passen.

Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van M. Choyoua, griffier, op 2 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. ECLI:NL:RBZWB:2024:993. In deze zaak is op 29 februari 2024 een hersteluitspraak gedaan: ECLI:NL:RBZWB:2024:1278. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156. ECLI:NL:RBGEL:2024:6647. ECLI:NL:RBROT:2024:6560. ECLI:NL:RBZWB:2024:7813. Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 14 november 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7812, r.o. 8.1. Uitspraak van 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4482.

Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288 en de uitspraak van de ABRvS van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209 waarin uit de toegekende proceskostenvergoeding blijkt dat een wegingsfactor van 0,5 is toegepast.