Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:703 ECLI:NL:RBZWB:2025:703 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:703 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:703
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 23/10152 en 23/10204 PARKBL uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2025 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 september 2023 en 21 september 2023. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met dagtekening 15 maart 2023 en [aanslagnummer 1] (de eerste naheffingsaanslag). 1.2.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:703 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Vgl. Hoge Raad van 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102. Hoge Raad van 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1004. Vgl. Hoge Raad van 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875 en Hoge Raad van 20 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:41. Op grond van artikel 8:72, derde lid, sub b, van de Awb.

Keywords

AI generated
parking fee parking violation parking space replacement fee late payment of fees third-party proceedings action challenging schedule of claims

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2019:1102
Hoge Raad der Nederlanden Derde Kamer Nr.
ECLI:NL:HR:2014:1004
25 april 2014 Nr. 13/05573 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 oktober 2013, nr. 10/00961, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (nr. AWB 08/8422) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2003 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
ECLI:NL:HR:2022:875
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 20/02700 Datum 17 juni 2022 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 22 juli 2020, nr. SGR 19/4546 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 15 januari 2020 betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2023:41
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/00362 Datum 20 januari 2023 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 23 december 2021, nrs. SGR 21/2378 V en SGR 21/2379 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 augustus 2021. De uitspraak op het verzet van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 23/10152 en 23/10204 PARKBL uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2025 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 september 2023 en 21 september 2023. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met dagtekening 15 maart 2023 en [aanslagnummer 1] (de eerste naheffingsaanslag). 1.2.

De heffingsambtenaar heeft vervolgens nog een naheffingsaanslag parkeerbelasting met dagtekening 22 maart 2023 en [aanslagnummer 2] aan belanghebbende opgelegd (de tweede naheffingsaanslag). 1.3. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende dat betrekking heeft op de eerste naheffingsaanslag niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar van belanghebbende dat betrekking heeft op de tweede naheffingsaanslag parkeerbelasting is ongegrond verklaard. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 14 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] als waarnemer van de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar: [naam 2] .

Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de eerste naheffingsaanslag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank beoordeelt vervolgens of de eerste naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar de tweede naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4. Belanghebbende heeft op 29 januari 2023 een bedrag van € 48,- overgemaakt naar Stichting Beheer Gemeentelijke Parkeergelden P1 On Street Management (P1) zonder daarbij een factuurnummer te vermelden. 4.1. P1 heeft op 8 februari 2023 per e-mail een factuur aan belanghebbende toegestuurd voor het verlengen van haar parkeervergunning. 4.2. Op 20 februari 2023 heeft P1 het onder 4. genoemde bedrag van € 48,- teruggestort aan belanghebbende. 4.3. Op 18 februari 2023 en 4 maart 2023 heeft P1 per e-mail herinneringen aan belanghebbende gestuurd om de factuur voor het verlengen van de parkeervergunning te betalen. 4.4.

Op 1 maart 2023 liep de parkeervergunning van belanghebbende af. 4.5. Belanghebbende heeft op 24 maart 2023 een beschikking, ‘Beschikking Parkeervergunning bewoners, Gemeente Tilburg’, ontvangen. In de beschikking is onder andere het volgende opgenomen: “Voorwaarden en bepalingen behorende bij deze parkeervergunning: • Een betaling is voorwaarde voor verstrekking van deze vergunning. Indien een betaling wordt gestorneerd of niet is verwerkt, vervalt de geldigheid van uw vergunning.” 4.6. Belanghebbende heeft haar auto met [kenteken] (de auto) op 13 maart 2023 en op 20 maart 2023 geparkeerd in de Wethouder van Roesselstraat te Tilburg.

De auto was geparkeerd op een parkeerplek waarvoor parkeerbelasting betaald moest worden. De parkeerplek ligt binnen zone Z-03 waar een uurtarief van € 1,- geldt. Door middel van scanauto’s hebben de parkeercontroleurs geconstateerd dat er voor de auto geen parkeerbelasting is betaald op deze data. 4.7. Naar aanleiding van de constatering dat op 13 maart 2023 en 20 maart 2023 geen parkeerbelasting is voldaan, zijn de naheffingsaanslagen parkeerbelasting (zie 1.1. en 1.2.) aan belanghebbende opgelegd. Ontvankelijkheid bezwaar tegen de eerste naheffingsaanslag 5.

Belanghebbende stelt dat zij op tijd bezwaar heeft gemaakt tegen de eerste naheffingsaanslag. Naar de rechtbank begrijpt is belanghebbende pas voor het eerst op de hoogte geraakt van de eerste naheffingsaanslag door de aanmaning van 20 april 2023. 5.1. De rechtbank vat de stelling van belanghebbende zo op dat de eerste naheffingsaanslag belanghebbende niet heeft bereikt. In die stelling ligt een betwisting van de verzending van de eerste naheffingsaanslag begrepen. In dat geval dient de heffingsambtenaar die verzending aannemelijk te maken. Daartoe zal de heffingsambtenaar mede aannemelijk moeten maken dat, en aan welk, postvervoersbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden. 5.2.

De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de verzending van de eerste naheffingsaanslag niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat hij de verzending niet onderbouwd heeft aan de hand van bijvoorbeeld een verzendadministratie. Daarmee is niet aannemelijk dat de aanslag bekend is gemaakt op de datum van dagtekening. 5.3. Belanghebbende is op een later moment, namelijk door de aanmaning, bekend geworden met de eerste naheffingsaanslag parkeerbelasting. De bezwaartermijn vangt in dit geval daarom aan op de dag van de ontvangst door de belanghebbende of haar vertegenwoordiger van de aanmaning.

De rechtbank gaat ervan uit dat dit op 20 april 2023 was. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde in dat geval op 1 juni 2023. Het bezwaarschrift is op 1 juni 2023 door de heffingsambtenaar ontvangen. Het bezwaarschrift is dus binnen de termijn door de heffingsambtenaar ontvangen. Het bezwaar is daarom ontvankelijk. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar dus onterecht niet-ontvankelijk verklaard. 5.4. Aangezien de heffingsambtenaar ambtshalve inhoudelijk op het bezwaar is ingegaan ziet de rechtbank aanleiding, mede uit het oogpunt van proceseconomie en finale geschilbeslechting, om deze zaak niet terug te wijzen naar de heffingsambtenaar om deze inhoudelijk te behandelen, maar om zelf in de zaak te voorzien.

Volmacht 6. Belanghebbende heeft op 1 juni 2023 een volmacht ondertekend waarin de Rechtswinkel Tilburg wordt gemachtigd om belanghebbende te vertegenwoordigen bij verschillende zaken. De zaak die betrekking heeft op de naheffingsaanslag met [aanslagnummer 2] wordt niet expliciet in de volmacht genoemd. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te twijfelen dat [naam 1] namens de gemachtigde ook voor de naheffingsaanslag met [aanslagnummer 2] gemachtigd is om belanghebbende te vertegenwoordigen. Inhoudelijke beoordeling naheffingsaanslagen 7. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslagen ten onrechte aan haar zijn opgelegd.

Zij voert aan dat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij beschikte over een geldige parkeervergunning op de controlemomenten omdat zij betaald had voor het verlengen van de parkeervergunning. 7.1. Niet in geschil is dat belanghebbende op 13 maart 2023 en 20 maart 2023 haar auto geparkeerd heeft op een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting verschuldigd was en dat er geen parkeerbelasting door belanghebbende is betaald. Ook staat vast dat belanghebbende niet beschikte over een geldige parkeervergunning op de controlemomenten. Dat belanghebbende wel in de veronderstelling verkeerde dat de parkeervergunning al was verkregen, moet voor haar rekening en risico blijven.

De heffingsambtenaar heeft door middel van betalingsherinneringen belanghebbende op de hoogte proberen te stellen van het verzuim. Het ligt op de weg van belanghebbende om te controleren of de vergunning uiteindelijk verleend was. Het voorgaande betekent dat belanghebbende op 13 maart 2023 en 20 maart 2023 niet de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan. Dat is voldoende om de naheffingsaanslagen op te leggen. Dat belanghebbende niet de intentie had om te weinig belasting te betalen, maakt niet dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd.

Immers, opzet of schuld zijn geen vereiste voor het opleggen van een naheffingsaanslag. De naheffingsaanslagen zijn dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep in zaak 23/10152 is gegrond omdat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard heeft. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar in deze zaak. Maar de rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar ongegrond te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar. 8.1.

Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. 8.2. Het beroep in zaak 23/10204 is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug in deze zaak. Beslissing 23/10152 De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar van 21 september 2023; - verklaart het bezwaar ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar van 21 september 2023; - bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50,- aan belanghebbende moet vergoeden. 23/10204 De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, op 11 februari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Vgl. Hoge Raad van 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102. Hoge Raad van 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1004. Vgl. Hoge Raad van 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875 en Hoge Raad van 20 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:41. Op grond van artikel 8:72, derde lid, sub b, van de Awb.