Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:548 ECLI:NL:RBZWB:2025:548 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:548 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:548
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416. Hof ’s-Hertogenbosch 4 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3732, Hof Amsterdam 21 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:582. Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Idem. Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBZWB:2025:548 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: De rechtbank merkt de Minister in zoverre mede aan als partij in dit geding. Proceskosten en griffierecht 12. De rechtbank vindt in de toekenning van een immateriële schadevergoeding aanleiding de inspecteur en de Minister te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende voor de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzet redelijkerwijs heeft moeten maken. Aangezien de uitspraak van de rechtbank waartegen het verzet zich richt is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de proceskosten ter zake van de verzetprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv) gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet.

Keywords

AI generated
previous legal status reopening of the file revision of a judgment time limits for seeking redress legal profession change of profession

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2006:AZ4416
Aanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete van € 567 wegens niet-tijdige aangifte. De boete is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd tot een bedrag van € 113. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHSHE:2020:3732
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 19/00353 en 19/00354 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 juni 2019, nummers BRE 16/4171 en 16/4173, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna:
ECLI:NL:GHAMS:2023:582
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 22/00056 21 februari 2023 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:HR:2025:46
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/00575 Datum 17 januari 2025 ARREST in de zaak van [X] B.V.
ECLI:NL:HR:2024:567
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/00849 Datum 31 mei 2024 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het BESTUUR VAN HET NOORDELIJK BELASTINGKANTOOR op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 januari 2022, nr. 20/01002, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 20/2760 en LEE 20/1770) betreffende van belanghebbende geheven leges. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/4222 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2025 op het verzet van [belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde]), tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2024 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Minister. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2024 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond heeft verklaard. 1.1.

De rechtbank heeft het verzet op 22 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde vergezeld door [naam], kantoorgenoot van gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 12 januari 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het beroep van belanghebbende 4. Het beroep van belanghebbende ging over de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 augustus 2022, betreffende de naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen met [aanslagnummer]. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat ondanks daartoe gedane verzoeken geen machtiging is overgelegd. Verder staat in de uitspraak op bezwaar dat het bezwaar niet tijdig was ingediend.

De uitspraak van 12 januari 2024 5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, vanwege het niet overleggen van de gevraagde machtiging. Verzet van belanghebbende 6. Gemachtigde heeft in verzet gesteld dat hij de ontvangst van drie (herstelverzuim)brieven betwist. Het is volgens gemachtigde aan de inspecteur om de verzending van die brieven aan te tonen.

De rechtbank overweegt als volgt.

7. De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel aan de inspecteur is om aannemelijk te maken dat een stuk op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, dan wel dat het stuk de belastingplichtige anderszins heeft bereikt, in een geval waarin een belastingplichtige de ontvangst van dat stuk betwist. In dit geval acht de rechtbank belanghebbendes enkele ontkenning van de ontvangst van drie (herstelverzuim)brieven echter evident ongeloofwaardig. De rechtbank acht voor dit oordeel het volgende van belang. Voor het eerst in verzet ontkent belanghebbende ongemotiveerd de ontvangst van de herstelverzuimbrieven, zulks nadat de rechtbank in de vereenvoudigde uitspraak heeft geoordeeld dat “gesteld noch gebleken is dat gemachtigde de brieven van de inspecteur niet heeft ontvangen”.

In de uitspraak op bezwaar van 10 augustus 2022 staat reeds vermeld dat tot drie keer toe per brief is verzocht om het overleggen van een machtiging met daarbij vermeld de data van de betreffende brieven. In het beroepschrift van 2 september 2022 en de op 3 oktober 2022 ingediende gronden van het beroep rept gemachtigde echter met geen woord over het niet ontvangen van deze drie brieven. Gemachtigde heeft in verzet de betwisting van de ontvangst van de herstelverzuimbrieven niet nader gespecificeerd of toegelicht, noch in de stukken, noch ter zitting.

Bij het verweerschrift zijn voorts kopieën van de drie (herstelverzuim)brieven en de uitspraak op bezwaar gevoegd. Daaruit leidt de rechtbank af dat hetzelfde adres staat vermeld op elk van deze stukken, te weten het door gemachtigde in zijn bezwaarschrift genoemde adres. Bij het beroepschrift van gemachtigde is een kopie van de betreffende uitspraak op bezwaar overgelegd. Vast staat derhalve dat de uitspraak op bezwaar, die aan hetzelfde adres is toegezonden als de herstelverzuimbrieven, door gemachtigde is ontvangen. Gelet op al deze omstandigheden gaat de rechtbank, ook zonder verzendbewijs van de inspecteur, uit van de aannemelijkheid van de ontvangst van (tenminste één van) de herstelverzuimbrieven.

8. Belanghebbende voert voorts - zakelijk weergegeven - tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat het moeten overleggen van een schriftelijke machtiging op basis van het Unierecht een beperking vormt van de toegang de rechter. Van een ongerechtvaardigde beperking van de toegang tot de rechter is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Wat belanghebbende verder heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Conclusie en gevolgen 9. Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 12 januari 2024 terecht heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, ongegrond was en de zaak terecht zonder zitting heeft afgedaan.

Het verzet is ongegrond. Immateriële schadevergoeding 10. Belanghebbende heeft op de zitting van 22 januari 2025 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet aanleiding om een vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke beslistermijn toe te kennen. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase, inclusief de verzetfase, in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt.

11. Het bezwaarschrift van belanghebbende is door de inspecteur ontvangen op 13 september 2021. Omdat de rechtbank uitspraak doet op het verzet op 5 februari 2025 heeft de procedure in totaal (afgerond) 41 maanden geduurd. De redelijke termijn is daarmee met 17 maanden overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 1.500. Dit bedrag komt voor 5/17e deel (€ 441,18) voor rekening van de inspecteur omdat de bezwaarfase vijf maanden te lang heeft geduurd. Voor het overige (€ 1.058,82) komt de schadevergoeding voor rekening van de Minister.

De rechtbank merkt de Minister in zoverre mede aan als partij in dit geding. Proceskosten en griffierecht 12. De rechtbank vindt in de toekenning van een immateriële schadevergoeding aanleiding de inspecteur en de Minister te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende voor de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzet redelijkerwijs heeft moeten maken. Aangezien de uitspraak van de rechtbank waartegen het verzet zich richt is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de proceskosten ter zake van de verzetprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv) gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet.

Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat sprake is van een bijzonder geval. Van strijd met het Unierecht is evenmin sprake. De kosten voor de in verzet door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank met inachtneming van het voorgaande vast op € 90,70 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,10). Voor vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding. Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan de inspecteur als aan de rechtbank is toe te rekenen, zal de rechtbank de inspecteur en de Minister ieder voor de helft veroordelen in de proceskosten.

Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet ongegrond; veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 441,18; veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 1.058,82; veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van (de helft van) de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 45,35; veroordeelt de Minister tot vergoeding van (de helft van) de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 45,35. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van mr.

W. Dekkers, griffier, op 5 februari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen.

Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416. Hof ’s-Hertogenbosch 4 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3732, Hof Amsterdam 21 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:582. Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Idem. Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.