Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:5000 ECLI:NL:RBZWB:2025:5000 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:5000 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:5000
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/2976 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2025 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres, (gemachtigde: mr. B.G.M. de Ruijter), en Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2024. In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken moet beslissen op het bezwaar van eiseres. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens haar niet heeft gedaan. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:12 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2025:5000 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Verweerder heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op het bezwaar van eiseres. Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd? 4.1. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2.

Keywords

AI generated
procedural delays statute of limitations bar untimely request for extension extension of proceedings one-week time limit time limits for seeking redress

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
artikel 6:12 van de Awb
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBZWB:2024:8720
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/6310 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres, (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:CRVB:2021:2305
204492 WMO15 Datum uitspraak: 10 september 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen: Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1652, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 januari 2020 vernietigd, het beroep van appellante gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 17 december 2019 vernietigd.
ECLI:NL:RVS:2019:673
201808648/1R1.Datum uitspraak: 8 maart 2019 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant], wonend te Bergen (NH), appellant, en de raad van de gemeente Bergen (NH), verweerder. Procesverloop [appellant] heeft in vervolg op de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, nr. 201709325/1/R1, beroep ingesteld tegen het andermaal niet tijdig nemen van een besluit door de raad omtrent vaststelling van het bestemmingsplan "Bergen Dorpskern Zuid". De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2020:3156
202000812/2/R4. Datum uitspraak: 27 maart 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Beek-Ubbergen, gemeente Ubbergen, en het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 augustus 2017 heeft het college de gestelde maatwerkvoorschriften voor de activiteiten van de door [bedrijf] gedreven supermarkt aan de [locatie] te Beek-Ubbergen gewijzigd.
ECLI:NL:RVS:2025:1301
de Dienst Toeslagen (voorheen: de Belastingdienst/Toeslagen), 2.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/2976 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2025 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres, (gemachtigde: mr. B.G.M. de Ruijter), en Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2024. In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken moet beslissen op het bezwaar van eiseres. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens haar niet heeft gedaan. 1.1.

Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? 3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in haar uitspraak van 17 december 2024 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing op het bezwaar moest nemen.

4. Verweerder heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op het bezwaar van eiseres. Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd? 4.1. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2.

In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025. 4.3. De Afdeling heeft op 26 maart 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024. De Afdeling heeft in die uitspraak een lijn uitgezet die voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar geldt in soortgelijke zaken. Deze rechtbank zal aansluiten bij die lijn in alle zaken over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van zestig weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt.

In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.4.4. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn op 8 augustus 2023 is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat meer dan zestig weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken.

Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen. Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd? 5. In gevallen als deze, waarin voornoemde zestig weken al zijn verstreken, wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 6.1. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van M. Choyoua, griffier, op 1 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. ECLI:NL:RBZWB:2024:8720. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156. ECLI:NL:RVS:2025:1301. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.