Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:481 ECLI:NL:RBZWB:2025:481 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:481 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:481
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/7891 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2025 in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser, en de minister van Financiën. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek (aanvraag) van 1 september 2024 om bekendmaking, op grond van de Wet open overheid (Woo), van de documenten die betrekking hebben op het overleg met de diverse belangen- en beroepsinstanties over de uitvoering van de arresten van de Hoge Raad terzake de box 3 belasting van 6 juni 2024 en 14 juni 2024. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:12 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2025:481 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2. De minister heeft in zijn verweerschrift van 20 december 2024 uitgelegd dat hij tot en met 17 februari 2025 nodig heeft om een besluit te nemen op het de aanvraag van eiser, omdat hij belanghebbenden in de gelegenheid moet stellen hun zienswijzen naar voren te brengen en hij belanghebbenden hiervoor een redelijke termijn wil geven.

Keywords

AI generated
prosecutorial delay postponement of trial right of access to documents motion to lift opposition delayed asylum application requests for information

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
artikel 6:12 van de Awb
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2024:704
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/04676 Datum 6 juni 2024 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 november 2022, nr. 20/00499, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 19/3954) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
ECLI:NL:HR:2024:705
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/00653 Datum 6 juni 2024 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X1] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2023, nr. BK-ARN 20/01121, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/2486) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
ECLI:NL:HR:2024:771
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/00654 Datum 6 juni 2024 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X2] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2023, nr. BK-ARN 20/01122, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/2502) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
ECLI:NL:HR:2024:756
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/00771 Datum 6 juni 2024 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 januari 2023, nrs. BK-ARN 20/00258, 20/00259 en 21/00470, op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 19/2137,19/3909 en 20/1150) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2016, 2017 en 2018 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente voor het jaar 2016.
ECLI:NL:HR:2014:813
4 april 2014 Nr. 13/04369 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 27 augustus 2013, nr. BK-12/00891, betreffende beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen voor de jaren 2010 tot en met 2012 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q]. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
ECLI:NL:HR:2024:855
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/01571 Datum 14 juni 2024 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 maart 2022, nrs. 20/00002 en 20/00855, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 19/2808 en AWB 20/909) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/7891 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2025 in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser, en de minister van Financiën. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek (aanvraag) van 1 september 2024 om bekendmaking, op grond van de Wet open overheid (Woo), van de documenten die betrekking hebben op het overleg met de diverse belangen- en beroepsinstanties over de uitvoering van de arresten van de Hoge Raad terzake de box 3 belasting van 6 juni 2024 en 14 juni 2024. 1.1.

Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Is het beroep ontvankelijk en gegrond? 3. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 1 september 2024. De minister moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag. De minister had dus uiterlijk op 30 september 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen de minister moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft de minister op 17 oktober 2024 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd? 4. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. 4.1.

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2. De minister heeft in zijn verweerschrift van 20 december 2024 uitgelegd dat hij tot en met 17 februari 2025 nodig heeft om een besluit te nemen op het de aanvraag van eiser, omdat hij belanghebbenden in de gelegenheid moet stellen hun zienswijzen naar voren te brengen en hij belanghebbenden hiervoor een redelijke termijn wil geven.

De rechtbank vindt dat een goede reden, omdat de minister wel de tijd moet hebben om te voldoen aan zijn wettelijke verplichting. De minister moet daarom het besluit nemen op uiterlijk 17 februari 2024. Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister de onder 4.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.

7. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op binnen op uiterlijk 17 februari 2024 alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 30 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. ECLI:NL:HR:2024:704, ECLI:NL:HR:2024:705, ECLI:NL:HR:2024:771, ECLI:NL:HR:2024:756 en ECLI:NL:HR:2014:813. ECLI:NL:HR:2024:855, ECLI:NL:HR:2024:856, ECLI:NL:HR:2024:857 en ECLI:NL:HR:2024:860. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Dit staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo Op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb.