Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:48 ECLI:NL:RBZWB:2025:48 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:48 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:48
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/7228 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 januari 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel), en Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 28 mei 2024 tegen de definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 16 april 2024 over de jaren 2005 tot en met 2019. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:12 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2025:48 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Dit staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb. ECLI:NL:RBGEL:2024:6647. ECLI:NL:RBROT:2024:6560. ECLI:NL:RBMNE:2024:6003. ECLI:NL:RBZWB:2024:7813. Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 14 november 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7813, r.o. 7.1. Uitspraak van 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4482.

Keywords

AI generated
right to a decision untimely recusal request late objection to debt enforcement statutory bar unjustified procedural delay statute of limitations bar

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
artikel 6:12 van de Awb
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBGEL:2024:6647
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/4576 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen [naam] , eiseres (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBROT:2024:6560
Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: ROT 23/8778, ROT 23/8780 en ROT 23/8781 uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2024 in de zaken tussen [naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres, gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBMNE:2024:6003
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 24/4917, UTR 24/5249 en UTR 24/5306 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 oktober 2024 in de zaken tussen [eiseres 1] uit [woonplaats] , België, eiseres 1 (gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel) [eiseres 2] , uit [woonplaats] , België, eiseres 2 (gemachtigde: mr. L.A.E. Timmer) [eiseres 3] , uit [woonplaats] , eiseres 3 (gemachtigde: mr. A.T. Tilburg) en Dienst Toeslagen, (gemachtigden: mr. D. van der Wal en mr. G. Schaap ). Samenvatting Deze uitspraak gaat over de vraag of en hoe de bestuursrechter ervoor kan zorgen dat betrokkenen bij de kinderopvangtoeslagaffaire sneller duidelijkheid krijgen over hun aanvragen om een integrale herbeoordeling kinderopvangtoeslag of bezwaren gericht tegen besluiten in dat kader van de Dienst Toeslagen.
ECLI:NL:RBZWB:2024:7813
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/5627 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres, (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBMNE:2023:4482
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/1607 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 september 2023 in de zaak tussen [verzoeker] uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: M.J. van Basten Batenburg) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht . Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om vergoeding van de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt voor een procedure vanwege niet tijdig beslissen door het college. De rechtbank ziet aanleiding om voor zaken over niet tijdig beslissen en een aantal andere zaakstromen nieuwe uitgangspunten te hanteren voor de wegingsfactor die wordt toegepast bij het vaststellen van een proceskostenvergoeding vanwege door een derde verleende rechtsbijstand.
ECLI:NL:CRVB:2018:2288
18772 AW Datum uitspraak: 26 juli 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 december 2017, 17/966 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de korpschef van politie (korpschef) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W. de Klein, advocaat, hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft geen verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 24 mei 2018, tezamen met de zaken 17/6068 AW, 17/7669 AW en 18/771, in welke zaken heden afzonderlijk uitspraak is gedaan.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/7228 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 januari 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel), en Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 28 mei 2024 tegen de definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 16 april 2024 over de jaren 2005 tot en met 2019. 1.1.

Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Is het beroep kennelijk gegrond? 3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 28 mei 2024, door verweerder ontvangen op 29 mei 2024. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. Omdat er een adviescommissie is, geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. Verweerder heeft de termijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 1 oktober 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 2 oktober 2024 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling ook op die datum ontvangen.

Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd? 4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. 4.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2. In het verweerschrift van 29 oktober 2024 verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 oktober 2024 of de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024 en van de rechtbank Midden-Nederland van 25 oktober 2024. 4.3.

Een meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 8 oktober 2024 een zaak op zitting behandeld waarin verweerder ook niet op tijd heeft beslist op het bezwaar. De rechtbank heeft op 14 november 2024 uitspraak gedaan in deze zaak en bepaald dat de lijn die in die uitspraak is uitgezet, geldt voor alle uitspraken die vanaf dat moment worden gedaan in (opvolgende) beroepen over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van deze uitspraak.

De lijn van deze rechtbank komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van zestig weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Dit geldt zowel bij eerste als bij opvolgende beroepen. Als de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder niet bekend is, wordt aangesloten bij de datum van verzending van het bezwaarschrift. Wanneer de termijn van zestig weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt.

In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken niet passend is. 4.4. De rechtbank stelt vast dat verweerder het bezwaarschrift op 29 mei 2024 heeft ontvangen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 23 juli 2025 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen. Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd? 5.

De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om in afwijking van het landelijke beleid een lagere dwangsom, zoals verzocht door verweerder met verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024, op te leggen. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 6.1.

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Deze rechtbank ziet, anders dan de rechtbank Midden-Nederland, geen aanleiding om in afwijking van de hoogste bestuursrechters een lagere wegingsfactor (0,25 in plaats van 0,5), zoals verzocht door verweerder, toe te passen.

Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op uiterlijk 23 juli 2025 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 2 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak.

Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Dit staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb. ECLI:NL:RBGEL:2024:6647. ECLI:NL:RBROT:2024:6560. ECLI:NL:RBMNE:2024:6003. ECLI:NL:RBZWB:2024:7813. Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 14 november 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7813, r.o. 7.1. Uitspraak van 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4482.

Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288 en de uitspraak van de ABRvS van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209 waarin uit de toegekende proceskostenvergoeding blijkt dat een wegingsfactor van 0,5 is toegepast.