Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:45 ECLI:NL:RBZWB:2025:45 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:45 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:45
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/2061 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 januari 2025 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats] (Spanje), belanghebbende, en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 september 2023. In die uitspraak heeft de inspecteur beslist dat geen dwangsom verschuldigd is aan belanghebbende, omdat het verzoek om de dwangsom niet ziet op een aanvraag in de zin van artikel 1:3 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:3 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBZWB:2025:45 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: De rechtbank zal daarom de uitspraak op bezwaar niet vernietigen, maar zal de uitspraak op bezwaar in stand houden. De enkele omstandigheid dat een medewerker van de belastingtelefoon kennelijk heeft gezegd dat er geen reden was om een conserverende aanslag op te leggen, maakt het voorgaande niet anders. 5.3. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het verzoek niet ziet op het nemen van een op rechtsgevolg gerichte publiekrechtelijke rechtshandeling en om die reden geen aanvraag vormt in de zin van artikel 4:17, lid 1, van de Awb en dat ook daarom geen dwangsom verschuldigd zou zijn.

Keywords

AI generated
illegal departure grounds risk of emigration principle of non-refoulement removal under immigration law coercive measure in immigration law prohibition of expulsion of nationals

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:3 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht
In die uitspraak heeft de inspecteur beslist dat geen dwangsom verschuldigd is aan belanghebbende, omdat het verzoek om de dwangsom niet ziet op een aanvraag in de zin van artikel 1:3 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2022:1830
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 21/00269 en 21/00270 21 juni 2022 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, gemachtigde: [A] tegen de uitspraak van 22 februari 2021 in de zaken met kenmerken AMS 19/3202 en AMS 19/6286 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft bij brief van 7 februari 2017 op de voet van artikel 40b van de Wet waardering onroerende zaken (tekst 2017, hierna:
ECLI:NL:HR:2023:844
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/03066 Datum 2 juni 2023 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 juni 2022, nrs. 21/00269 en 21/00270, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nrs. AMS 19/3202 en AMS 19/6286) betreffende een verzoek van belanghebbende om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
ECLI:NL:HR:2022:1033
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/04695 Datum 8 juli 2022 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 november 2021, nr. 20/00595, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/1072), betreffende een ten aanzien van belanghebbende genomen beslissing van de Ontvanger inzake het verrekenen van een uit te betalen teruggave.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/2061 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 januari 2025 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats] (Spanje), belanghebbende, en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 september 2023. In die uitspraak heeft de inspecteur beslist dat geen dwangsom verschuldigd is aan belanghebbende, omdat het verzoek om de dwangsom niet ziet op een aanvraag in de zin van artikel 1:3 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:

Awb). 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 22 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2]. Zowel inspecteur als belanghebbende hebben aan de zitting deelgenomen via een videoverbinding. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het verzoek van belanghebbende om een dwangsom terecht heeft afgewezen. Zij doet de beoordeling aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar van 6 september 2023 in stand blijft en geen dwangsom verschuldigd is aan belanghebbende. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende is op 22 november 2020 naar Spanje geëmigreerd. 4.1. Belanghebbende is per brief van 18 januari 2023 verzocht informatie aan te leveren in verband met een op te leggen conserverende aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna:

IB/PVV) over het jaar 2020. 4.2. Belanghebbende heeft in zijn e-mail van 20 april 2023 de inspecteur verzocht om een voor beroep vatbare beschikking waaruit de rechtmatigheid van het aan hem opvragen van informatie ten behoeve van het opleggen van de conserverende aanslag en het kunnen opleggen van de conserverende aanslag zou blijken (hierna: het verzoek). 4.3. Belanghebbende heeft de inspecteur vervolgens per brief van 16 juni 2023 in gebreke gesteld ten aanzien van het verzoek. Daarbij heeft hij verzocht om een dwangsom als de inspecteur niet binnen twee weken heeft beslist. 4.4.

De inspecteur heeft per brief van 19 juni 2023 aan belanghebbende een “kennisgeving ingebrekestelling” verzonden. In deze kennisgeving deelt de inspecteur mee dat hij geen dwangsom verschuldigd is aan belanghebbende. In deze kennisgeving is ook vermeld dat de kennisgeving niet voor bezwaar vatbaar is. 4.5. Belanghebbende heeft per brief van 27 juli 2023, bij de inspecteur binnengekomen op 9 augustus 2023, bezwaar gemaakt tegen de “kennisgeving ingebrekestelling”. 4.6. Met dagtekening 7 juli 2023 heeft de inspecteur de conserverende aanslag IB/PVV 2020 vastgesteld. 4.7.

De inspecteur heeft met dagtekening 6 september 2023 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de “kennisgeving ingebrekestelling” ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft belanghebbende beroep ingesteld. Motivering 5. De rechtbank stelt voorop dat (het niet nemen van) een beslissing naar aanleiding van het verzoek geen voor bezwaar vatbare beschikking vormt. In de wet is immers niet voorgeschreven dat (het weigeren van) die beslissing wordt (geacht te zijn) genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dat betekent dat geen bezwaar gemaakt kan worden tegen de weigering om te beslissen en dat een dergelijk bezwaar dus niet-ontvankelijk is. 5.1.

De rechtbank stelt vast dat de gevraagde dwangsom samenhangt met die (geweigerde) beslissing. In een dergelijk geval staat ook tegen de beslissing om geen dwangsom toe te kennen geen bezwaar en beroep open. Dat betekent dat de inspecteur het bezwaar van belanghebbende niet ongegrond had moeten verklaren, maar niet-ontvankelijk. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat vernietiging van een gedane uitspraak wegens een fout in het dictum slechts aangewezen is indien de belangen van de belanghebbende daarmee kunnen worden gediend. Dat is in deze zaak niet het geval, nu zowel ongegrondverklaring als niet-ontvankelijkverklaring in de weg staan aan de toekenning van een dwangsom.

De rechtbank zal daarom de uitspraak op bezwaar niet vernietigen, maar zal de uitspraak op bezwaar in stand houden. De enkele omstandigheid dat een medewerker van de belastingtelefoon kennelijk heeft gezegd dat er geen reden was om een conserverende aanslag op te leggen, maakt het voorgaande niet anders. 5.3. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het verzoek niet ziet op het nemen van een op rechtsgevolg gerichte publiekrechtelijke rechtshandeling en om die reden geen aanvraag vormt in de zin van artikel 4:17, lid 1, van de Awb en dat ook daarom geen dwangsom verschuldigd zou zijn.

Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft en belanghebbende geen dwangsom verschuldigd is. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier op 3 januari 2025. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Vgl. Gerechtshof Amsterdam 21 juni 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1830 en Hoge Raad 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:844, waarin het cassatieberoep van de belastingplichtige met toepassing van artikel 81 Wet RO ongegrond is verklaard. Vgl. Hoge Raad 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033.