Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:4232 ECLI:NL:RBZWB:2025:4232 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:4232 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:4232
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/5862 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2025 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats 1] ( [land 1] ), belanghebbende (gemachtigde: mr. drs. A.C.M. Brom), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 november 2022. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2009 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.942 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 50.000. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:29 van de Awb, artikel 8:42 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2025:4232 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Motivering Heeft de inspecteur artikel 8:42 van de Awb geschonden? 4.20. Artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter dient toe te zenden. Op de zaak betrekking hebbende stukken zijn stukken die zijn gebruikt bij de voorbereiding van besluiten en stukken die relevant zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. 4.21. Belanghebbende heeft gesteld dat hem tijdens het hoorgesprek is medegedeeld dat in 2013 en 2014 een inval is geweest door FIOD bij de heer [persoon 2] waarbij informatie is verkregen.

Keywords

AI generated
tax avoidance expatriation allowance investment abroad immigration law fraud international double taxation departure from a country

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:29 van de Awb
In de beroepsfase heeft de inspecteur met een beroep op artikel 8:29 van de Awb verzocht om een deel van de op de zaak betrekking hebbende stukken geheim te houden.
artikel 8:42 van de Awb
Motivering Heeft de inspecteur artikel 8:42 van de Awb geschonden? 4.20.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2018:303
16 maart 2018 nr. 17/01663 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 februari 2017, nrs. BK‑16/00345 en BK‑16/00346, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen uitspraken van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 15/9463 en SGR 15/9462) betreffende aan [X-Y] en [X], beiden te [Z], (hierna tezamen: belanghebbenden) over het jaar 2005 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2001:AB1375
Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1987 een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 353.261 met een verhoging van 100 percent van de nagevorderde enkelvoudige belasting, van welke verhoging bij besluit van de Inspecteur geen kwijtschelding is verleend. Na daartegen gemaakt bezwaar zijn de navorderingsaanslag en het kwijtscheldingbesluit bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor zover deze het kwijtscheldingsbesluit betreft, de verhoging kwijtgescholden tot op 75 percent van de nagevorderde enkelvoudige belasting, en de uitspraak voor het overige bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2002:AE8364
Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.316.728.
ECLI:NL:HR:2015:2991
9 oktober 2015 nr. 14/06127 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de erven van [A] te [Z] (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 oktober 2014, nr. 13/01126, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 12/2346) betreffende de aan belanghebbenden over het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHARL:2017:9205
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer 17/00201 uitspraakdatum: 24 oktober 2017 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 december 2016, nummer AWB 15/1659, ECLI:NL:RBGEL:2016:7087, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2005 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV; de navorderingsaanslag) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.044 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 5.265.620. Bij beschikkingen is € 371.335 aan heffingsrente berekend en is een vergrijpboete van € 658.202 opgelegd. 1.2. De Inspecteur heeft bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de bezwaren gegrond verklaard, de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 4.895.616 en voor het overige gehandhaafd en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft de Inspecteur de boete verminderd tot 50% van het bedrag dat na de vermindering verschuldigd is. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar inzake de boete vernietigd en de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn verminderd tot € 601.952. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. 2Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft een aanmerkelijk belang als bedoeld in de Wet IB 2001 in de vennootschappen [A] B.V. en [B] B.V. (hierna: [B] ). 2.2. Belanghebbende heeft op 7 december 2004 voor € 5.000 een belang van 20% verworven in Firma [C] GmbH en voor eveneens € 5.000 een belang van 20% verworven in Firma [D] GmbH (hierna: de Duitse vennootschappen). 2.3. De Duitse vennootschappen hebben op 10 december 2004 de onroerende zaken aan de [a-strasse] 160 en [b-strasse] 1 te [E] (hierna: de onroerende zaken) gekocht voor in totaal € 21.200.000. 2.4. In de notulen van de aandeelhoudersvergadering van de Duitse vennootschappen van 20 februari 2005 is het volgende opgenomen: “TOP 3 Die Gesellschafter stimmen überein, dass beide Objektgesellschaften zum Preis von mindestens 35,0 Mio. (Immobilienwert) verkauft werden. Der Verkauf kann auch einzeln erfolgen. (…)” 2.5. Op 9 en 13 juni 2005 heeft [F] van [G] een fax gestuurd aan mr. J [H] (hierna: [H] ) van [I] B.V. betreffende de [J] portfolio Duitsland en daarin – voor zover hier van belang – het volgende vermeld ten aanzien van een bod op de Duitse vennootschappen en drie andere vennootschappen: “We therefore put forward the following basic terms for consideration by you: 1.Purchaser: CEI or other company of companies to be nominated by CEI as the Purchaser. 2. Assets: The entire issued share capital of the companies that own the real estate objects described in your e mail under reply and the attachments thereto. 3. Price: € 59 million (fifty nine million euros) all costs for the buyer. (…)” 2.6. Op 13 juni 2005 heeft [K] van [L] een fax naar [F] van [G] gestuurd betreffende de [J] portfolio. Deze fax bevat - voor zover hier van belang - de volgende informatie ten aanzien van een bod op de Duitse vennootschappen en drie andere vennootschappen: “I therefore put forward the following basic terms for consideration by your clients: 1.Purchaser: CEI or other company or companies to be nominated by CEI as the Purchaser. 2. Assets: The entire issued share capital of the companies that own the real estate objects described in your said e mail and the attachments thereto. 3. Price: € 69 million (sixty nine million euros) (…) (5) A 5 year rental guarantee from the Vendors with regard to any vacant space at the date of Closing based upon the ERV’s already notified by you on the tenancy schedule supplied. (…)” Op de fax staat een handtekening van [H] met de datum 13 juni 2005. 2.7. Op 22 juni 2005 heeft belanghebbende zijn aandelen in de Duitse vennootschappen verkocht aan [B] tegen de nominale waarde van in totaal (2 x € 5.000 =) € 10.000. De aandelen zijn verkocht ten overstaan van notaris [M] te [N] (Duitsland). 2.8. In de aangifte IB/PVV 2005 heeft belanghebbende geen inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven. 2.9. Op 18 en 19 januari 2006 heeft [B] haar belangen (deelnemingen) in de Duitse vennootschappen verkocht. Zij heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) 2006 een deelnemingswinst vermeld van € 5.265.620 en dit bedrag verantwoord onder de deelnemingsvrijstelling. De aandelen van de Duitse vennootschappen zijn samen met de aandelen van de eerder genoemde drie andere vennootschappen verkocht aan twee Gibraltarese limiteds voor in totaal € 69.000.000. Van de totale verkoopsom is € 53.000.000 toegerekend aan de verkoop van de Duitse vennootschappen. 2.10. Op 9 maart 2010 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek ingesteld bij [B] naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften Vpb 2005 en 2006. 2.11. Op 29 november 2012 ontvangt de Inspecteur een Cd-rom met in ieder geval de onder 2.4 tot en met 2.6 weergegeven informatie. 2.12. Bij brief van 8 februari 2013 heeft de Inspecteur aan belanghebbende vragen gesteld over de verkoop van de onroerende zaken. In deze brief staat onder andere het volgende: “Volgens mijn informatie zijn op 7 december 2004 twee Duitse vennootschappen opgericht ( [C] GmbH en [D] GmbH) in welke vennootschappen [B] BV op dat moment een belang heeft van 20% van het aandelen kapitaal. Op 10 december 2004 schaffen beide vennootschappen ieder vastgoed aan in [E] voor totaal € 21.200.000. Het vastgoed was eigendom van het [J] concern. a. Ik verzoek u uitgebreid toe te lichten: 1. Hoe is bovenstaande transacties tot stand gekomen?; 2. Hoe is de heer [X] of [B] BV bij de aankoop betrokken geraakt?; 3. Hoe wist de heer [X] of [B] BV men dat het vastgoed te koop stond?; 4. Wie was de initiatiefnemer tot de aankoop en hoe is het contact met deze initiatiefnemer tot stand gekomen?; 5. Wie waren de contacten bij [J] ?; 6. Wanneer zijn de onderhandelingen begonnen?; 7. Waar hebben de onderhandelingen plaatsgevonden?; 8. Wie hebben de onderhandelingen gevoerd met betrekking tot de aankoop namens de kopers en verkopers?; en 9. Wat was de specifieke rol van de heer [X] in het geheel van oprichting van de Duitse vennootschappen, de aankoop van de ' [J] ' objecten en de latere verkoop van het aandelenbelang? Ik verzoek met betrekking tot de onderhandelingen kopieën van alle schriftelijke stukken ter zake te doen toekomen. Niet alleen correspondentie, maar ook emails, gespreksnotities, verslagen van aandeelhoudersvergaderingen, afschriften van taxatierapporten e.d. b. Met betrekking tot de koopsom heb ik de volgende vragen: 1. Hoe is de koopsom tot stand gekomen?; 2. Zijn taxatierapporten opgemaakt van het vastgoed?; 3. Zo ja, dan ontvang ik hiervan graag kopieën?; 4. Zo nee, waarop is de koopsom dan gebaseerd?; en 5. Ik verzoek toe te lichten hoe men voor zichzelf de waarde van het vastgoed heeft bepaald/berekend? c. Met betrekking tot de financiering heb ik de volgende vragen: 1. Ik verzoek toe te lichten hoe en bij wie de koop van het vastgoed is gefinancierd;. 2. Zijn in het kader van de financiering taxatierapporten opgemaakt?; 3. Zo ja, dan ontvang ik hiervan graag kopieën; 4. Zo nee, waarom niet?; 5. Is het vastgoed bij de financiering als zekerheid verstrekt?; 6. Zo ja, dan ontvang ik graag kopieën van alle schriftelijke stukken ter zake; en 7. Zo nee, waarom niet? In januari 2006 zijn de Duitse vennootschappen, samen met drie andere vennootschappen, verkocht. Van de totale verkoopsom is € 53.000.000 toegerekend aan de verkoop van de vennootschappen waarin [B] BV deelneemt. d. Met betrekking tot de verkoop van de aandelen in de vennootschappen heb ik de volgende vragen: 1. Graag verneem ik van de heer [X] hoe de gerealiseerde waarde sprong wordt verklaard; 2. Met betrekking tot de verkoop verzoek ik u om de winstverdeling gedocumenteerd toe te lichten; en 3. Ik verzoek u mij de jaarstukken van [C] GmnH en [D] GmbH over 2006 te doen toekomen. (…) f. Met betrekking tot [C] GmbH en [D] GmbH heb ik de volgende vraag: 1. Ik wil graag beschikken over de oprichtingsakten van beide vennootschappen. (…)” 2.13. Bij brief van 28 maart 2013 heeft de gemachtigde van belanghebbende de vragen van de Inspecteur beantwoord. 2.14. Bij brief van 17 juni 2013 heeft de Inspecteur gereageerd op de hiervoor genoemde brief van de gemachtigde van belanghebbende. In deze brief staat, voor zover van belang, het volgende: “Aanmerkelijk belang Uit de door u op 28 maart 2013 opgestuurde informatie blijkt nu dat de heer [X] de aandelen in de betrokken Duitse GmbH’s eerst zelf in privé heeft gehouden. Pas op 22 juni 2005 worden de aandelen door hem verkocht aan [B] BV tegen de nominale waarde. Op dat moment was al duidelijk dat de aandelen tegen een veel hogere waarde zouden worden doorverkocht. Zoals hiervoor al opgemerkt is op 13 juni 2005 met de uiteindelijke koper overeengekomen dat de aandelen van de vijf betrokken GmbH’s worden verkocht voor in totaal € 69.000.000. In zijn aangiften IH over de jaren 2004 en 2005 heeft de heer [X] geen melding gemaakt van de verwerving en van de vervreemding van zijn aandelen in de GmbH’s. Naar mijn mening heeft de heer [X] op 22 juni 2005 de aandelen in de GmbH’s voor een te laag bedrag aan [B] BV verkocht. Want ten tijde van deze verkoop was hem bekend dat de aandelen in de GmbH’s minimaal € 5.723.826 meer waard waren dan bij de aankoop door hem in 2004. Ik ben voornemens deze waardestijging als Winst uit aanmerkelijk belang in het jaar 2005 bij de heer [X] in aanmerking te nemen.” 2.15. Tot de stukken van het geding behoort het rapport van het ingestelde boekenonderzoek van 14 januari 2014. 2.16. Bij brief van 5 november 2013 heeft de Inspecteur aangekondigd een navorderingsaanslag IB/PVV over het onderhavige jaar en een boete te gaan opleggen wegens het door belanghebbende niet aangeven van winst uit aanmerkelijk belang. In deze brief is over de berekening van de winst uit aanmerkelijk belang het volgende vermeld: “Voor de berekening van de Winst uit aanmerkelijk belang in het jaar 2005 zijn wij uitgegaan van een document dat wij bij een derden onderzoek hebben aangetroffen. Hierin wordt de opbrengst van de aandelen ad € 53.000.0000 volgens een cijfermatige opstelling verdeeld onder de aandeelhouders. Hierbij is rekening gehouden met betaalde kosten en terugbetaling van leningen. (…) De winst voor de heer [X] is door ons als volgt bepaald. Direct te ontvangen € 2.945.620 Escrow rekening (20% van € 12.150.000) € 2.430.000 ---------------- Totale verkoopopbrengst € 5.375.620 Berekening verkrijgingsprijs: Gestort aandelenkapitaal (2x € 5.000) € 10.000 Aandeelhouderslening € 100.000 (betaald op 10 december 2004) Totaal € 110.000 -------------- Winst aanmerkelijk belang € 5.265.620 2.17. In de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur erkend dat rekening moet worden gehouden met de waardedrukkende invloed die uitgaat van huurgaranties die zijn vastgelegd in de Escrow-overeenkomst in verband met de verkoop van de onroerende zaken. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang om die reden verminderd tot (€ 5.265.620 -/- € 370.004) € 4.895.616. 3Geschil 3.1. In geschil is of de navorderingsaanslag en de vergrijpboete terecht zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil: – of de Inspecteur toepassing heeft kunnen geven aan de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Hierbij is in geschil of de bewijslast dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is, op belanghebbende rust (de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast), of het voorwerp van de belasting in het buitenland is opgekomen en of de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag voldoende voortvarend heeft gehandeld; – of het inkomen uit aanmerkelijk belang op nihil moet worden gesteld, alsdan is de vereiste aangifte wel gedaan en kan geen sprake zijn van omkering en verzwaring van de bewijslast of dat het inkomen uit aanmerkelijk belang op € 3.439.000 moet worden gesteld; en – of de vergrijpboete (voor zover terecht opgelegd) naar het juiste bedrag is opgelegd. 4Beoordeling van het geschil Verlengde navorderingstermijn 4.1. De navorderingsaanslag is opgelegd met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR. Op grond van deze bepaling wordt de navorderingstermijn verlengd tot twaalf jaren indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. 4.2. Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur geen mogelijkheid tot navordering heeft, nu de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR, toepassing mist. Belanghebbende voert daartoe aan dat - hoewel de verkoopwinst door [B] mogelijk onverlet laat dat die winst zijn oorzaak vindt in de waardestijging van de onroerende zaken - het niet betekent dat het inkomen uit aanmerkelijk belang dat is behaald bij de verkoop van de aandelen door belanghebbende aan [B] eveneens is opgekomen in Duitsland. De winst is immers behaald met de verkoop van de aandelen van belanghebbende. Dat het gaat om aandelen in de Duitse vennootschappen doet daar niet aan af. Nu aan Nederland – vóór wijziging van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland – het heffingsrecht toekomt ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, is er in economische zin sprake van een heffingsrecht over de waardestijging van de Duitse onroerende zaken. De wetgever heeft zich dit gerealiseerd en het belastingverdrag is aangepast. Niet de onroerende zaken in Duitsland dienen het uitgangspunt te zijn voor de beoordeling of de aanmerkelijkbelangwinst opkomt in het buitenland, maar de aandelen van belanghebbende in de Duitse vennootschappen. 4.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het inkomen uit aanmerkelijk belang is opgekomen in Duitsland. De enige Nederlandse link is het feit dat belanghebbende in Nederland woont. 4.4. In de parlementaire geschiedenis is met betrekking tot artikel 16, vierde lid, van de AWR, opgemerkt dat de achterliggende gedachte is dat het de Nederlandse fiscus in feite ontbreekt aan toereikende controlemogelijkheden om naar het buitenland overgebrachte spaargelden en dergelijke bezittingen te achterhalen. De controlemogelijkheden schieten met betrekking tot spaargelden, banktegoeden in het algemeen, effecten en dergelijke, in een aantal gevallen tekort of ontbreken geheel omdat Nederland met het desbetreffende land geen overeenkomst tot inlichtingenuitwisseling heeft of, zo dit wel het geval is, in andere landen de werking van het bankgeheim het uitwisselen van inlichtingen verhindert (Kamerstukken II, 1989-1990, nr. 21 423, nr. 3, blz. 2). Verder is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt dat de rechtvaardigingsgrond – dat de controlemiddelen van de Nederlandse fiscus te beperkt zijn om met een termijn van vijf jaren te kunnen volstaan – ook geldt voor andere in het buitenland opgekomen inkomensbestanddelen die met opzet buiten het controlebereik van de Nederlandse fiscus zijn gehouden, hetgeen ook arbeidsinkomsten of winstbestanddelen kunnen zijn waarop de Nederlandse heffingsbevoegdheid rust (Kamerstukken II, 1989-1990, nr. 21 423, nr. 3, blz. 3). Dat de heffingsbevoegdheid voor het onderhavige jaar bij Nederland berust, maakt derhalve niet dat geen sprake kan zijn van inkomsten die in het buitenland zijn opgekomen. Dat de heffingsbevoegdheid thans aan Duitsland is toegewezen, maakt vorenstaande niet anders. 4.5. In het onderhavige geval heeft de in Nederland woonachtige belanghebbende in december 2004 in Duitsland, ten kantore van een Duitse notaris, in privé aandelen verworven in de Duitse vennootschappen. De Duitse vennootschappen bezaten belangen in Duitse onroerende zaken. De Duitse vennootschappen waren in Nederland niet belastingplichtig voor de Vpb. Op 20 februari 2005 staat op een aandeelhoudersvergadering in [O] een verkoopvoorstel van de onroerende zaken geagendeerd waarbij concreet gesproken wordt over een bedrag van € 35 miljoen. Op 22 juni 2005 is ten kantore van een Duitse notaris een koopovereenkomst gesloten tussen belanghebbende en [B] waarbij de aandelen die belanghebbende heeft in de Duitse vennootschappen door belanghebbende worden verkocht en overdragen. Uit voormelde feiten blijkt dat de in Nederland woonachtige belanghebbende een aanmerkelijk belang in Duitse vennootschappen zonder band met Nederland, heeft verkregen en vervreemd in Duitsland, waarbij het voorwerp van enige belasting bestaat uit de met die transacties behaalde winst. Het Hof is daarom van oordeel dat het voorwerp van enige belasting in het buitenland is opgekomen. Gelet op het vorenstaande behoeft de vraag of de omkering en verzwaring van de bewijslast ook ziet op de verlengde navorderingstermijn geen beantwoording meer. Voortvarendheidsvereiste 4.6. Uit de verklaring voor recht van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 11 juni 2009 (gevoegde zaken X en Passenheim-van Schoot), C-155/08 en C-157/08, ECLI:EU:C:2009:368, dient te worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 van het EU-verdrag zich niet ertegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van (spaar)tegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat. Beschikken de belastingautoriteiten wel over die aanwijzingen, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan. 4.7. De rechtvaardiging die het HvJ EU aanwezig heeft geacht voor de aan toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR, verbonden beperking van het vrije verkeer, is gelegen in het waarborgen van de doeltreffendheid van de fiscale controles en het bestrijden van belastingfraude. Die rechtvaardiging is er niet als ten aanzien van (inkomsten uit) buitenlandse tegoeden de navorderingstermijn die voor (inkomsten uit) binnenlandse tegoeden zou gelden verder wordt overschreden dan uit het in 4.6 bedoelde tijdsverloop voortvloeit (vergelijk Hoge Raad 26 februari 2010, nr. 43.050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092). 4.8. Naar het oordeel van het Hof heeft deze eis van voortvarendheid ook te gelden in gevallen als het onderhavige, waar het niet gaat om (inkomsten uit) in het buitenland aangehouden spaartegoeden, maar om buiten Nederland opgekomen inkomen uit aanmerkelijk belang. Voor de beoordeling van de voortvarendheid die de Inspecteur bij de voorbereiding en het opleggen van de onderwerpelijke navorderingsaanslag aan de dag heeft gelegd, is van belang welke acties de Inspecteur heeft ondernomen en op welk moment. 4.9. De Inspecteur heeft daartoe het volgende aangevoerd. Bij hem zijn vraagtekens ontstaan bij het binnen relatief korte tijd realiseren van een zeer aanzienlijke winst. Een mogelijk onzakelijke aanmerkelijkbelangtransactie kwam echter pas in november 2012 in beeld nadat duidelijk werd dat reeds vóór de aandelenoverdracht van 22 juni 2005 een reëel zicht bestond op het behalen van een aanzienlijke winst met de verkoop van de onroerende zaken. Deze informatie bevond zich niet in de administratie van [B] . Vanaf november 2012 heeft hij vervolgens de volgende handelingen verricht: 29 november 2012: afspraak voor bespreking met belanghebbende op 21 december 2012; 21 december 2012: gesprek met de gemachtigde van belanghebbende; 8 februari 2013: vragen gesteld aan belanghebbende per brief; 28 maart 2013: informatie ontvangen van belanghebbende waaruit de privé betrokkenheid blijkt; 17 juni 2013: mededeling per brief dat aanleiding bestaat voor het opleggen van een navorderingsaanslag; 5 november 2013: opleggen navorderingsaanslag en boete aangekondigd; 31 december 2013: navorderingsaanslag en boete opgelegd. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur daar nog aan toegevoegd dat hij belanghebbende tot december 2013 - tevergeefs - diverse malen schriftelijk heeft aangeboden met elkaar in gesprek te gaan. 4.10. Belanghebbende voert aan dat de informatie die tijdens het boekenonderzoek (in 2010) de controlerende ambtenaren ter beschikking stond, voldoende was om de conclusie te trekken dat belanghebbende in 2005 inkomen uit aanmerkelijk belang had genoten. Immers, de volgende informatie stond hen op dat moment ter beschikking: de akten van 22 juni 2005 waarbij de aandelen door belanghebbende aan [B] zijn overgedragen; de gehele overeenkomst waarbij (en onder welke voorwaarden) de aandelen in januari 2006 door (onder andere) [B] zijn verkocht aan een derde; de grootboekadministratie van [B] waarin de betaling van de overdrachtsprijs voor de aandelen in juni 2005 aan [B] is verwerkt. Belanghebbende weerspreekt voorts dat de Inspecteur na 2012 voortvarend zou hebben gehandeld, aangezien de sindsdien door de Inspecteur verrichte activiteiten naar zijn mening niet gericht waren op het verkrijgen van informatie die noodzakelijk was voor het vaststellen van de onderhavige navorderingsaanslag. Ter zitting heeft belanghebbende dit geconcretiseerd en aangegeven dat de in de brief van 8 februari 2013 gestelde vragen niet zagen op de inkomstenbelasting en dat de handelingen daarna slechts zien op de formalisering van de navorderingsaanslag. 4.11. Uit voormeld arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010 blijkt dat een beperking van de verlengde navorderingstermijn pas aan de orde kan komen vanaf het moment waarop de belastingautoriteiten een aanwijzing hebben voor het bestaan van het buitenlandse inkomen. In casu gaat het dan om inkomen uit aanmerkelijk belang waarbij de overdrachtsprijs is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. Het Hof acht aannemelijk dat de Inspecteur eerst na kennisneming eind november 2012 van de informatie neergelegd in de faxen van 9 en 13 juni 2005 en de notulen van 20 februari 2005, een aanwijzing had voor het mogelijk bestaan van inkomen uit aanmerkelijk belang. Vanaf dat moment was het aan de Inspecteur om voortvarend te handelen. Anders dan belanghebbende bepleit, ziet dit voortvarend handelen ook op het voorbereiden en vaststellen van een aanslag. Voorts is het Hof van oordeel dat ook de vragenbrief van 8 februari 2013 als een dergelijke handeling dient te worden meegenomen. De Inspecteur vraagt daarbij immers informatie over onder andere de aankoop van de onroerende zaken voor in totaal € 21.200.000 en de financiering daarvan en de verkoop van de Duitse vennootschappen. Nu deze transacties in direct verband staan met de door de Inspecteur vermoede onzakelijke aanmerkelijkbelangtransactie, is deze brief een handeling ter verkrijging van informatie die nodig is voor het bepalen van de verschuldigde inkomstenbelasting. De Inspecteur heeft gelet op alle handelingen vanaf eind november 2012 voldoende voortvarend gehandeld. Omkering en verzwaring bewijslast 4.12. Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de AWR, wordt, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. 4.13. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat van enige waardestijging van de aandelen in de Duitse vennootschappen op het moment van overdracht door belanghebbende aan [B] geen sprake is. Er is enkel sprake van speculatie. Een mogelijke koper betekent geen waardestijging. Er wordt onroerend goed ingekocht van een derde en er wordt een jaar later (in 2006) verkocht. In de tussenliggende periode is er geen sprake van een akkoord dat de herwaardering van de onroerende zaken rechtvaardigt. Een en ander betekent dat belanghebbende geen inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten en de vereiste aangifte als bedoeld in artikel 27e van de AWR heeft gedaan. Tijdens de aandeelhoudersvergadering van 20 februari 2005 is slechts besloten dat geen verkoop van de aandelen zal plaatsvinden indien er geen prijs voor de aandelen wordt geboden van minimaal 35 miljoen. Van de biedingen zoals vermeld in de faxen van 9 en 13 juni 2005 was belanghebbende ten tijde van de overdracht van de aandelen aan [B] op 22 juni 2005 niet op de hoogte. 4.14. De Inspecteur betoogt dat uit de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 20 februari 2005 blijkt dat de aandeelhouders, waaronder belanghebbende die aldaar aanwezig was, op dat moment blijkbaar de waarde van de onroerende zaken schatten op (minimaal) € 35 miljoen. Uit de faxen van 9 en 13 juni 2005 blijkt vervolgens dat de waarde nog hoger ligt. 4.15. Het Hof acht aannemelijk dat de waarde van de aandelen in de Duitse vennootschappen ten tijde van de overdracht op 22 juni 2005 aan [B] aanzienlijk hoger was dan de nominale waarde. Alleen al gelet op de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 20 februari 2005 werd de waarde van de onroerende zaken geschat op minimaal € 35 miljoen. Met deze inschatting is aannemelijk dat een reële winst te verwachten was met een dusdanige hoogte (relatief en absoluut) dat belanghebbende, die zich daarvan ook bewust moet zijn geweest (zie ook de volgende rechtsoverweging), voor het jaar 2005 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. 4.16. Bovendien acht het Hof de verklaring van belanghebbende dat hij ten tijde van de overdracht van de aandelen in de Duitse vennootschappen aan [B] op 22 juni 2005 niet op de hoogte was van de biedingen van 9 en 13 juni 2005 niet geloofwaardig. Hiervoor is van belang dat belanghebbende [H] zelf heeft aangedragen, belanghebbende en [H] al geruime tijd samenwerken en, naar de gemachtigde ter zitting van het Hof heeft verklaard, de verstandhouding tussen belanghebbende en [H] destijds goed was. Gelet hierop en op het veel hogere bod wat wordt gedaan is niet geloofwaardig dat belanghebbende van deze biedingen niet vóór 22 juni 2005 op de hoogte is geraakt. Dit wordt versterkt door het feit dat belanghebbende kort na deze biedingen de aandelen in de Duitse vennootschappen van privé overdraagt aan de door hem beheerste vennootschap [B] , waardoor de betaling van belasting over de verkoopwinst kan worden uitgesteld. Met de kennisname van deze faxen was voor belanghebbende duidelijk dat zelfs een nog grotere winst te verwachten was dan de winst die reeds op 20 februari 2005 verwacht werd. Redelijke schatting 4.17. De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur evenwel niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting. 4.18. De Inspecteur heeft de winst uit aanmerkelijk belang gebaseerd op het reeds vóór de overdracht op 22 juni 2005 gedane bod van € 69 miljoen (fax van 13 juni 2005), waarvan € 53 miljoen is toe te rekenen aan de Duitse vennootschappen. Vervolgens heeft de Inspecteur rekening gehouden met kosten en de terugbetaling van leningen en een inschatting gemaakt van de waardedrukkende invloed die uitgaat van de huurgaranties die reeds in de fax van 13 juni 2005 aan de orde waren op basis van de voorgestelde Escrow-overeenkomst. De huurgaranties zagen blijkens de fax van 13 juni 2005 op de ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet verhuurde delen van de onroerende zaken. 4.19. Belanghebbende voert primair aan dat dient te worden uitgegaan van de € 35 miljoen zoals genoemd in de notulen van de aandeelhoudersvergadering. Subsidiair voert belanghebbende aan dat het waardedrukkende effect van de Escrow-overeenkomst niet juist is berekend. De Inspecteur heeft aangesloten bij de jaren 2006 tot en met 2008 terwijl de afhandeling van de Escrow-overeenkomst niet in 2008 was voltooid. In 2009 tot en met 2011 wordt nog verder verlies geleden op de Escrow-overeenkomst. 4.20. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur voor de redelijke schatting aan heeft kunnen sluiten bij de vóór de overdracht op 22 juni 2005 bekende meest recente informatie, zijnde een bod op 13 juni 2005 van € 69 miljoen, waarvan € 53 miljoen voor de aandelen in de Duitse vennootschappen, in combinatie met een Escrow-overeenkomst. De Inspecteur heeft derhalve bij de schatting terecht geen aansluiting gezocht bij de € 35 miljoen zoals genoemd in de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 20 februari 2005. Deze waarde was gelet op de faxen van 9 en 13 juni 2005 achterhaald. De fax van 13 juni 2005 geeft daarbij een goed uitgangspunt van de waarde in het economische verkeer op dat moment. Ten aanzien van de Escrow-overeenkomst dient een schatting te worden gemaakt van het te nemen risico. Nu de onroerende zaken voor een deel zien op Triple A-huurders en de huurgaranties blijkens de fax van 13 juni 2005 slechts betrekking hebben op de leegstand ten tijde van de koop, acht het Hof het door de Inspecteur in aanmerking genomen bedrag van € 370.004 niet onredelijk of willekeurig. 4.21. Alsdan is het aan belanghebbende overtuigend aan te tonen dat het inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog is vastgesteld door de Inspecteur. Hierin is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet geslaagd. Belanghebbende heeft ontkend dat sprake is van inkomen uit aanmerkelijk belang en subsidiair gesteld dat uitgegaan moet worden van € 35 miljoen of € 53 miljoen met een hogere waardedruk van de Escrow-overeenkomst. Deze gronden zijn reeds besproken. Dat uiteindelijk een hoger verlies is geleden ten aanzien van de Escrow-overeenkomst maakt vorenstaande niet anders. Het uiteindelijke verlies kan weliswaar licht werpen op het in te schatten risico ten aanzien van de Escrow-overeenkomst ten tijde van de verkoop van de aandelen op 22 juni 2005, maar is niet doorslaggevend. Verder heeft belanghebbende niets concreets aangevoerd om aan te tonen dat het inkomen uit aanmerkelijk belang in 2005 te hoog is vastgesteld. Vergrijpboete 4.22. De Inspecteur heeft op grond van artikel 67e van de AWR, in samenhang gelezen met paragraaf 25, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, ter zake van de over het onderhavige jaar nagevorderde IB/PVV een vergrijpboete opgelegd tot een bedrag van 50 percent van de nagevorderde belasting. Volgens de Inspecteur is het aan opzet van belanghebbende te wijten dat de aanslag IB/PVV over het jaar 2005 tot een te laag bedrag is vastgesteld. 4.23. Belanghebbende voert aan dat de voor het opleggen van een vergrijpboete vereiste (voorwaardelijke) opzet ontbreekt. Alhoewel belanghebbende tijdens de aandeelhoudersvergadering heeft ingestemd met de verkoop voor minimaal € 35 miljoen was belanghebbende zich er niet van bewust dat op het moment van overdracht (22 juni 2005) de waarde van de aandelen was toegenomen. Uit de faxen van [G] en [L] noch uit andere stukken blijkt dat belanghebbende wetenschap had van het bestaan van een potentiële koper. De handtekening van de heer [H] leidt nog niet tot een akkoord. De adviseur van belanghebbende heeft desgevraagd aangegeven dat de aandelen in de Duitse vennootschappen tegen de nominale waarde kunnen worden overgedragen aan [B] . Uit het feit dat de akte is gepasseerd op 22 juni 2005 blijkt wel dat belanghebbende al eerder, dus vóór de datum van die faxen, de aandelen aan [B] wilde verkopen. Toen had belanghebbende zich al gerealiseerd dat hij de aandelen in de Duitse vennootschappen per ongeluk in privé had gekocht en wilde dit corrigeren, aldus nog steeds belanghebbende. 4.24. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende zich ervan bewust was dat de verkochte aandelen ten tijde van de verkoop aan [B] aanmerkelijk meer waard waren dan de nominale waarde. Zelfs als belanghebbende al niet op de hoogte was van de hiervoor onder 4.16 bedoelde biedingen, dan wist hij in elk geval van de beoogde verkoopprijs van € 35 miljoen zoals besproken tijdens de aandeelhoudersvergadering van 20 februari 2005. Het Hof acht ook aannemelijk dat belanghebbende zich realiseerde dat hij door de verkoop van die aandelen inkomen uit aanmerkelijk belang genoot, ook al was de bedongen verkoopprijs gelijk aan de verkrijgingsprijs. Door niettemin in zijn aangifte geen inkomen uit aanmerkelijk belang te verantwoorden, is het aan de opzet van belanghebbende te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting was geheven. Belanghebbende heeft nog wel gesteld dat zijn adviseur hem zou hebben geadviseerd de aandelen over te dragen tegen de nominale waarde, maar over dat advies is niets komen vast te staan en evenmin is aannemelijk geworden dat belanghebbende zijn adviseur volledig zou hebben geïnformeerd. Maar ook als dat het geval zou zijn, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende wist dat hij met de overdracht van de aandelen inkomen uit aanmerkelijk belang zou genieten. Daarom doet deze gestelde omstandigheid niet af aan het oordeel dat de te lage belastingheffing aan de opzet van belanghebbende is te wijten. 4.25. De Rechtbank heeft de boete verminderd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof ziet geen aanleiding om de vergrijpboete verder te matigen Heffingsrente 4.26. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier. De beslissing is op 24 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (A. Vellema) (A.E. Keulemans) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 25 oktober 2017 Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH DEN HAAG. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
ECLI:NL:HR:2012:BW4102
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke naheffingsaanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd. De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 07/8343 LB/PVV) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/5862 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2025 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats 1] ( [land 1] ), belanghebbende (gemachtigde: mr. drs. A.C.M. Brom), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 november 2022. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2009 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.942 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 50.000. 1.2.

Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 4.722 heffingsrente in rekening gebracht (de rentebeschikking). 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.6. De rechtbank heeft bij bericht van 3 april 2025 de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. 1.7. De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2025 op zitting behandeld.

Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank of de inspecteur in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de navorderingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Ten slotte beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van schending van artikel 8:42 de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tevens is geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verder is de rechtbank van oordeel dat de navorderingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende woonde tot 3 september 2009 in Nederland.

In de periode van 3 september tot en met 31 december 2009 was belanghebbende woonachtig in Panama . 4.1. In de periode april tot en met juli 2007 zijn de volgende entiteiten opgericht. [S.A. 1] ., gevestigd op de Seychellen; [Ltd. 1] , gevestigd te Cyprus , dochter van [S.A. 1] .; [Ltd. 2] , gevestigd te Nederland, dochter van [Ltd. 1] ; [Ltd. 3] , gevestigd te Nederland, dochter van [Ltd. 2] . 4.2. De enig aandeelhouder van [S.A. 1] . is [foundation 1] . 4.3. Belanghebbende is vanaf de oprichting de directeur van [Ltd. 2] en [Ltd. 3] . 4.4. Op 10 februari 2009 heeft [Ltd. 3] dividend van € 50.000 uitgekeerd aan [Ltd. 2] .

Dit bedrag is vervolgens op dezelfde dag als dividend uitgekeerd aan [Ltd. 1] . 4.5. Bij de aanhouding van [persoon 1] in juli 2020 is een afspraakbevestiging aangetroffen van 9 oktober 2009 van belanghebbende met [persoon 2] alsmede een eindafrekening van [group] aan belanghebbende. Tot het dossier bevindt zich ook een gescand document van onder meer een visitekaartje van de heer [belanghebbende] met daarop de handgeschreven aantekeningen ‘Geen klant geworden [onleesbare toevoeging] Wel [group] structuur’. 4.6. Op 3 mei 2021 heeft de inspecteur de Officier van Justitie verzocht om aan hem op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gegevens en inlichtingen te verstrekken van belanghebbende (het artikel 55 AWR-verzoek). 4.7.

Op 7 juli 2021 heeft de inspecteur een mail gestuurd waarin staat dat diverse belastingplichtigen beoordeeld zullen worden, waaronder belanghebbende. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur op 20 juli 2021 schriftelijk om informatie verzocht. 4.8. Op 25 oktober 2021 heeft de inspecteur belanghebbende geïnformeerd dat hij voornemens is een navorderingsaanslag IB/PVV 2009 op te leggen waarbij een voordeel uit aanmerkelijk belang (box 2) in aanmerking zal worden genomen van € 50.000. 4.9. Op 12 november 2021 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag opgelegd. 4.10.

Het bezwaar tegen de navorderingsaanslag is ongegrond verklaard. 4.11. In de beroepsfase heeft de inspecteur met een beroep op artikel 8:29 van de Awb verzocht om een deel van de op de zaak betrekking hebbende stukken geheim te houden. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op 26 augustus 2024 op dit verzoek beslist. 4.12. Tot de gedingstukken behoren onder meer een brochure van [stichting] genaamd ‘ [group] , vermogensbescherming belastingontwijking en estate planning voor ondernemers’, ‘oprichting, verkoop en beheer van vennootschappen;

Den Haag – Cyprus – Dubai – Curaçao ’. Hierin staat voor zover thans van belang het volgende: “ONZE BLASTINGROUTES IN VOGELVLUCHT Dividend-structuur Onze meest populaire, meest klassieke structuur. Geschikt voor het merendeel van ondernemers die een jaarwinst maken van € 20.000 of meer. Ook geschikt voor (neven)vestigingen in de meeste andere EU­landen, ongeacht de nationaliteit van de ondernemer. Om fiscale redenen dient de feitelijke leiding van de vennootschappen buiten Nederland aan professional directors ter plaatse te worden overgelaten.

De gelaagde structuur bestaat uit vijf opeenvolgende rechtsvormen die steeds tot elkaar in een moeder-dochterverhouding staan: • Offshore [foundation 2] : ontwijkt de belasting van 25% in box 2 (dividend, vermogenswinst op aandelen) en de successierechten tot maximaal 27-68%. Verschaft vermogensbescherming en anonimiteit. Houdt aandelen in: • Offshore lnvestment Holding: ontwijkt belasting op (inkomsten uit) vermogen, zoals de jaarlijks terugkerende verkapte vermogensbelasting van 1,2% in box 3. Bouwt in Luxemburg of Zwitserland een afgeschermd vermogen op met dividenden uit de onderliggende dochter:

• Cypriotische Holding: ontwijkt de bronbelasting van 25%, cruciale schakel om via een laagbelaste staat binnen de EU de stap van het hoogbelaste Nederland naar een onbelaste offshore jurisdictie te maken. Houdt aandelen in: • Nederlandse Holding: ontwijkt belasting op de winst uit de verkoop van aandelen in de onderliggende dochter. Houdt aandelen in: • Nederlandse Werkmaatschappij: hierin wordt de nieuwe onderneming opgebouwd of de bestaande onderneming ondergebracht. Deze vennootschap betaalt 25,5 % vennootschapsbelasting. De vennootschapsbelasting is de enige belasting die in deze structuur nog verschuldigd is.” 4.13.

Tot de gedingstukken behoort onder meer de onderstaande creditfactuur met dagtekening 24 september 2009. 4.14. Verder behoort tot de gedingstukken een e-mail van 22 september 2009 gericht aan belanghebbende met een afspraakbevestiging op 9 oktober 2009 met [persoon 2] . 4.15. Tot de gedingstukken behoort tevens een factuur van [group] Dubai met de datum 23 september 2009 gericht aan belanghebbende waarbij staat vermeld: “[persoon 3] [foundation 1] [adres] , [plaats 2] . PANAMA PANAMA” Als omschrijving is vermeld: “ [foundation 2] to Panama Foundation - Annual Fee 9/12 credit if to SBS solution is chosen and paid for before 1/11/2009”.

Tevens staat de naam van belanghebbende vermeld achter de vermelding ‘Regarding:’. 4.16. Naast de hierboven genoemde creditfactuur zijn door [group] Dubai tevens facturen uitgereikt aan [S.A. 1] Ltd. en [Ltd. 1] ., eveneens met de datum 23 september 2009. 4.17. [foundation 1] komt voor in de (vrij toegankelijke) Offshore Leaks Database (https://offshoreleaks.icij.org/). 4.18. Op 31 december 2009 is in Nederland de opheffing van [Ltd. 1] geregistreerd. Tevens zijn [Ltd. 2] en [Ltd. 3] opgeheven. 4.19. Op 31 december 2010 is [S.A. 1] . opgeheven.

Motivering Heeft de inspecteur artikel 8:42 van de Awb geschonden? 4.20. Artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter dient toe te zenden. Op de zaak betrekking hebbende stukken zijn stukken die zijn gebruikt bij de voorbereiding van besluiten en stukken die relevant zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. 4.21. Belanghebbende heeft gesteld dat hem tijdens het hoorgesprek is medegedeeld dat in 2013 en 2014 een inval is geweest door FIOD bij de heer [persoon 2] waarbij informatie is verkregen.

Daarnaast heeft belanghebbende aangevoerd dat de inspecteur belanghebbende in 2011 heeft aangeschreven in verband met het doen van aangifte voor [Ltd. 1] . Volgens belanghebbende was de inspecteur daarom vanaf 2011 op de hoogte van de structuur van de vennootschappen. Deze stukken zijn door de inspecteur ten onrechte niet overgelegd als op de zaak betrekking hebbende stukken. 4.22. De inspecteur heeft ter zitting de gang van zaken nader toegelicht en gesteld dat hij naar aanleiding van het artikel 55-verzoek de informatie over belanghebbende heeft verkregen.

Verder heeft de inspecteur ter zitting, bij gebrek aan wetenschap, betwist dat in 2011 belanghebbende verzocht zou zijn om aangifte te doen voor [Ltd. 1] . dan wel dat de inspecteur verklaringen terug zou kunnen vinden over een inval in de jaren 2013 of 2014. Daarnaast heeft de inspecteur ter zitting aangegeven dat, voor zover hem bekend, hierover geen stukken voorhanden zijn (geweest). 4.23. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de toelichtingen van de inspecteur met betrekking tot het moment van het ontvangen van informatie over belanghebbende.

De stelling van belanghebbende over wat in het hoorverslag is gezegd over de datum van de inval, vindt verder geen weerslag in dat verslag of de reactie daarop door belanghebbende. De rechtbank verwerpt ook het betoog van belanghebbende omtrent de aanwezigheid van (relevante) stukken met betrekking tot [Ltd. 1] . Belanghebbende voert zelf in dit verband aan diverse stukken te hebben ontvangen en verzonden, maar levert daarvoor geen enkel bewijs. De rechtbank ziet dan ook – gelet op de toelichting door de inspecteur en de verdere processtukken – geen aanknopingspunten dat die stukken bestaan.

De rechtbank acht daarom aannemelijk dat de inspecteur in dat kader aan zijn verplichting heeft voldaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen die hem ter beschikking staan of hebben gestaan. Is er een navorderingsgrond? 4.24. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. 4.25.

Volgens de inspecteur is primair sprake van een nieuw feit. Subsidiair is de inspecteur van mening dat sprake is van kwade trouw. 4.26. Belanghebbende betwist dat de inspecteur over een navorderingsgrond beschikt. Belanghebbende stelt dat de inspecteur reeds in 2011 op de hoogte was van de structuur van de vennootschappen en belanghebbende meerdere malen heeft verzocht om aangiften te doen voor [Ltd. 1] . Volgens belanghebbende is zelfs een deurwaarder op het adres van de ouders van belanghebbende geweest. Verder wijst belanghebbende naar het hoorgesprek waarin tegen hem verklaard is dat in 2013 of 2014 informatie is verkregen bij een inval bij de heer [persoon 2] . 4.27.

De inspecteur heeft ter zitting de door belanghebbende genoemde gang van zaken (zie 4.26) betwist. De rechtbank acht het aannemelijk dat de inspecteur naar aanleiding van het artikel 55-verzoek op de hoogte is geraakt van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de navorderingsaanslag. Belanghebbende heeft de door hem gestelde omstandigheden niet onderbouwd met de stukken waarvan hij zelf stelt dat die zijn ontvangen dan wel verzonden. De rechtbank ziet in de gedingstukken ook geen aanknopingspunten die de door belanghebbende geschetste gang van zaken kunnen staven.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van een nieuw feit. De inspecteur kon daarom tot navordering overgaan. De vraag of sprake is van kwader trouw behoeft daarom geen behandeling. Kan de inspecteur de verlengde navorderingstermijn toepassen? 4.28. De inspecteur is van mening dat terecht de verlengde navorderingstermijn is toegepast omdat belanghebbende, door de inzet van een buitenlandse constructie met in het buitenland opgezette entiteiten dividendinkomsten heeft verkregen. Aangezien de dividenduitkering op 10 februari 2009 is gedaan, ontstaat de bevoegdheid tot navordering op 31 december 2009 zodat de navorderingsaanslag tot 31 december 2021 kon worden opgelegd.

De navorderingsaanslag is opgelegd met dagtekening 12 november 2021 en is derhalve tijdig opgelegd, aldus de inspecteur. 4.29. Belanghebbende is primair van mening dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is omdat de inkomsten in Nederland zijn opgekomen. Hiertoe verwijst belanghebbende naar het IJssalon-arrest. Subsidiair is belanghebbende van mening dat de navorderingstermijn begint te lopen vanaf 10 februari 2009, zijnde dat datum van de dividenduitkering en niet op 31 december 2009. 4.30. Voor de vraag of inkomsten in het buitenland zijn opgekomen of aangehouden, is van belang of met de wijze waarop de belastingplichtige deze zich laat uitbetalen, de inkomsten buiten het zicht van de inspecteur heeft willen houden.

Dat de dividenduitkering van € 50.000 de winst betreft van een in Nederland gevestigde vennootschap is dus niet doorslaggevend. Daarvan is hier sprake. Door gebruik te maken van meerdere (buitenlandse) entiteiten heeft belanghebbende de dividendinkomsten buiten het zicht van de inspecteur gehouden (zie daarvoor de hierna volgende overwegingen). De situatie die hier wordt berecht, verschilt verder in feitelijke zin aanmerkelijk van het IJssalon-arrest. Bovendien volgt uit het derdenonderzoek van de inspecteur dat de dividenduitkering niet op een Nederlandse bankrekening van belanghebbende is gestort.

De verlengde navorderingstermijn is dus van toepassing. De rechtbank verwerpt ook het subsidiaire standpunt van belanghebbende ten aanzien van de afloop van het tijdvak. Het betreft immers geen naheffingsaanslag dividendbelasting, maar een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2009. De specifieke datum van het opkomen van het inkomen is alsdan niet relevant gelet op artikel 11, lid 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht de verlengde navorderingstermijn toegepast. Heeft de inspecteur de voortvarendheidsvereiste geschonden? 4.31.

Belanghebbende is van mening dat de inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag. Volgens belanghebbende was de inspecteur in 2013/2014 reeds op de hoogte van de informatie van de FIOD en heeft de inspecteur te lang gewacht met het opleggen van de navorderingsaanslag. 4.32. De inspecteur heeft de door belanghebbende geschetste gang van zaken betwist (zie 4.22). 4.33. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek naar belanghebbende is gestart op 7 juli 2021 (zie 4.7). De navorderingsaanslag is opgelegd op 12 november 2021 (zie 4.9).

Uit de gang van zaken volgt dat er geen periode is geweest van zes maanden of langer waarin de inspecteur onnodig inactief is geweest (zie 4.8). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur voldaan aan het voortvarendheidsvereiste. Is de navorderingsaanslag tot een juist bedrag opgelegd? 4.34. In artikel 4.6 van de Wet IB 2001 is het begrip ‘aanmerkelijk belang’ als volgt gedefinieerd: “De belastingplichtige heeft een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn partner, direct of indirect: a. voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld; b. rechten heeft om direct of indirect aandelen te verwerven tot ten minste 5% van het geplaatste kapitaal; c. winstbewijzen heeft die betrekking hebben op ten minste 5% van de jaarwinst van een vennootschap dan wel op ten minste 5% van wat bij liquidatie wordt uitgekeerd; d. gerechtigd is tot ten minste 5% van de stemmen uit te brengen in de algemene vergadering van een in artikel 4.5a bedoelde rechtspersoon.” 4.35.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een aanmerkelijk belang wordt gehouden door degene voor wiens rekening en risico de aandelen worden gehouden, oftewel bij degene bij wie het economisch belang ligt. 4.36. Volgens de inspecteur is belanghebbende ‘ultimate beneficial owner’ (UBO) van [Ltd. 1] ., heeft hij daar economisch belang bij en houdt hij als zodanig een aanmerkelijk belang in deze vennootschap. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende de dividenduitkering van € 50.000 die op 10 februari 2009 door [Ltd. 2] aan [Ltd. 1] is uitgekeerd, als een uitdeling ontvangen. 4.37.

Belanghebbende heeft primair gesteld dat geen sprake is geweest van een uitdeling zodat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Belanghebbende stelt verder dat hij geen aanmerkelijk belang heeft in [Ltd. 1] . en dat hij ook niet de UBO is. Hiertoe verwijst belanghebbende naar de inschrijvingen bij de Kamer van Koophandel van [Ltd. 1] . 4.38. Vast staat dat de aandelen in [Ltd. 1] . middellijk werden gehouden door [foundation 1] . Gelet op de structuur van de vennootschappen (zie 4.1 tot en met 4.3), de omschrijving “( [belanghebbende] ) [foundation 2] ” (zie 4.13) op de creditfactuur aan belanghebbende, de afspraakbevestiging met [persoon 2] (zie 4.14), de toelichting in brochure van [stichting] (zie 4.12) alsmede de omstandigheid dat belanghebbende de enige werknemer was van [Ltd. 2] en in die hoedanigheid de enige persoon was die verantwoordelijk was voor het genereren van de geldstroom die heeft geleid tot de voornoemde dividenduitkering, acht de rechtbank het aannemelijk dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van de structuur die werd aangeboden door [stichting] om belastingheffing op dividenden buiten het zicht van de inspecteur te houden.

Verder leidt de rechtbank uit de gedingstukken af dat belanghebbende een afspraak heeft gehad met [persoon 2] om te beoordelen of hij gebruik wenste te maken van een nieuwe structuur die verband hield met de wetswijziging per 1 januari 2010. Uit de creditfactuur (zie 4.13) en de omstandigheid dat een deel van de vennootschappen in 2009 opgeheven zijn, is af te leiden dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van het product SBS (zie 4.15) en besloten heeft om zijn bestaande structuur tot en met 2009 (nagenoeg) volledig op te heffen (zie 4.18).

Gelet op al deze omstandigheden in samenhang gezien, acht de rechtbank het aannemelijk dat belanghebbende de UBO was van [Ltd. 1] . 4.39. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of belanghebbende reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang heeft genoten. 4.40. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende in 2009 een uitdeling heeft ontvangen van € 50.000. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.38 is overwogen acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is van verarming van [Ltd. 1] . en verrijking van belanghebbende. Alsdan is sprake van een vermogensverschuiving en is voldaan aan het objectieve vereiste.

Dat de dividenduitkering niet gestort is op de Nederlandse Rabobankrekening, maakt dit niet anders nu ter zitting door de gemachtigde is verklaard dat belanghebbende deze bankrekening slechts aanhield in verband met de huuropbrengsten van zijn woning. Daarnaast heeft de inspecteur ter zitting onbetwist gesteld dat belanghebbende, gelet op zijn langdurige verblijf in het buitenland, ook over buitenlandse bankrekening(en) beschikte. De rechtbank acht ook aannemelijk dat belanghebbende zich van de voornoemde vermogensverschuiving bewust was. Gelet op de opgezette structuur en het product dat door [stichting] werd verkocht, heeft belanghebbende gekozen voor een vennootschappenstructuur waarmee getracht is Nederlandse belastingheffing te voorkomen.

Gelet hierop is de navorderingsaanslag terecht opgelegd. 4.41. Subsidiair is belanghebbende van mening dat de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de kosten van het opzetten en in stand houden van de structuur zoals aangeboden door [group] in de brochure uit 2007. Uit deze brochure kan worden afgeleid dat de kosten voor het jaar 2009 tenminste € 7.354,95 bedroegen. Deze kosten moeten in mindering worden gebracht op de dividenduitkering van € 50.000 zodat het box 2-inkomen volgens belanghebbende vast moet worden gesteld op € 42.645,05. 4.42.

De inspecteur heeft betwist dat belanghebbende de door hem gestelde kosten heeft gemaakt. 4.43. De rechtbank verwerpt het subsidiaire standpunt van belanghebbende. Met de enkele verwijzing naar de brochure waarin een bepaald bedrag aan kosten is genoemd, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij deze kosten heeft gemaakt ter verwerving van het inkomen uit aanmerkelijk belang. De kosten zien namelijk op administratieve activiteiten voor het oprichten en in stand houden van de vennootschappen, die niet zijn toe te rekenen aan het verwerven van het reguliere voordeel.

Ook zijn geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij kosten heeft gemaakt en hoe hoog deze kosten waren. Gelet hierop is de navorderingsaanslag naar een juist bedrag opgelegd. Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden? 4.44. Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals het rechtszekerheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij heeft dit standpunt niet nader toegelicht. 4.45. De rechtbank overweegt als volgt. Het ligt op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.

Nu belanghebbende niet heeft toegelicht op welke wijze het rechtszekerheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel volgens belanghebbende geschonden zijn, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank ziet evenmin aanknopingspunten in de gedingstukken die wijzen op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank verwerpt daarom deze stelling van belanghebbende. Heffingsrente 4.46. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de rentebeschikking.

Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de rentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de heffingsrente het bedrag van de aanslag volgt. Immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn 4.47. Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 4.48. Op grond van vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen, uitspraak doet.

De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade van € 500 per half jaar overschrijding. 4.49. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 23 december 2021 ontvangen.

De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 3 juli 2025, derhalve afgerond 43 maanden na de indiening van het bezwaarschrift. De redelijke termijn is dus overschreden met afgerond 19 maanden. Belanghebbende heeft daarom recht op een immateriëleschadevergoeding van € 2.000. Nu de uitspraak op bezwaar is gedaan op 8 november 2022, is de overschrijding voor 5/19 deel toe te rekenen aan de bezwaarfase, zijnde € 526. Het overige is toe te rekenen aan de beroepsfase, derhalve € 1.474. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 2.000. 5.1. Omdat het verzoek om een immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 907, een wegingsfactor 0,25, derhalve € 226,75.

Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om een immateriëleschadevergoeding niet is gedaan vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. De inspecteur en de Staat moeten elk de helft van de proceskosten vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 526; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.474; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 113,38 aan proceskosten aan belanghebbende; - veroordeelt de Staat tot betaling van € 113,38 aan proceskosten aan belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 3 juli 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Artikel 16, eerste lid, van de AWR. Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:303 Vgl. Hoge Raad 2 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1375, Hoge Raad 4 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8364 en Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2991. Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9205.

Vgl. Hoge Raad 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4102. Artikel 4.12, letter a, van de Wet IB 2001. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526. Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.