Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:418 ECLI:NL:RBZWB:2025:418 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:418 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:418
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-268043-22 vonnis van de rechtbank d.d. 28 januari 2025 in de ontnemingszaak tegen [betrokkene] geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam 1De procedure Betrokkene is op 28 januari 2025 door de rechtbank veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennep tot de in die uitspraak vermelde straf. De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 januari 2025, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald van € 1.027.914,94. Door betrokkene is geen ontzenuwende verklaring afgelegd over het wederrechtelijk verkregen voordeel dat zij door de hennepkwekerij zou hebben verkregen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:418 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Gelet op de bepleite integrale vrijspraak is de verdediging is van mening dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

Keywords

AI generated
demonstrable prejudice public takeover bid prima facie evidence lack of prosecutorial standing public-law benefit inaction of public prosecutor
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-268043-22 vonnis van de rechtbank d.d. 28 januari 2025 in de ontnemingszaak tegen [betrokkene] geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam 1De procedure Betrokkene is op 28 januari 2025 door de rechtbank veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennep tot de in die uitspraak vermelde straf. De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 januari 2025, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald van € 1.027.914,94. Door betrokkene is geen ontzenuwende verklaring afgelegd over het wederrechtelijk verkregen voordeel dat zij door de hennepkwekerij zou hebben verkregen.

3Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite integrale vrijspraak is de verdediging is van mening dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

4Het oordeel van de rechtbank

Ontvankelijkheid De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen reden om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu verdachte niet integraal is vrijgesproken van hetgeen haar ten laste is gelegd. Wederrechtelijk verkregen voordeel Bij vonnis van de rechtbank van 28 januari 2025 is bewezenverklaard dat betrokkene op 18 oktober 2022 opzettelijk 736 hennepplanten aanwezig heeft gehad. Van de overige ten laste gelegde feiten is betrokkene vrijgesproken. Nu de op 18 oktober 2022 aangetroffen oogst nog niet was voltooid heeft betrokkene hiervan geen wederrechtelijk voordeel verkregen. Niet is bewezenverklaard dat betrokkene enige betrokkenheid heeft gehad bij eerdere oogsten en hier wederrechtelijk voordeel van heeft verkregen. Concluderend acht de rechtbank het dan ook niet aannemelijk dat betrokkene enig voordeel heeft verkregen uit het door haar gepleegde strafbare feit of uit soortgelijke feiten en zij zal daarom de vordering van de officier van justitie afwijzen.

5De beslissing

De rechtbank: - wijst de vordering van de officier van justitie d.d. 29 november 2024, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, mr. V.M. Schotanus en mr. R.T. Poort, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 januari 2025. Mr. R.T. Poort en mr. V.M. Schotanus zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.