Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:281 ECLI:NL:RBZWB:2025:281 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:281 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:281
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 23/10966 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2025 in de zaak tussen [eiser], uit [plaats 1], eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, (het college). Inleiding Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 1 december 2023, over het verlenen van een omgevingsvergunning voor een tijdelijke opslag van goederen bij de Albert Heijn aan [adres] (hierna: de Albert Heijn). De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2025 op zitting behandeld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:281 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb. ABRvS 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5005, r.o. 3.1 en ABRvS 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2301, r.o. 6.1. ABRvS 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4773, r.o. 8.1.

Keywords

AI generated
parking requirements parking violation provisional placement landfill permit parking space replacement fee temporary framework

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2024:5005
Erfgoedvereniging Bond Heemschut, vereniging tot bescherming en instandhouding van cultureel erfgoed in Nederland, gevestigd te Amsterdam (hierna: Erfgoedvereniging Heemschut), 2.
ECLI:NL:RVS:2022:2301
202004485/1/R3. Datum uitspraak: 10 augustus 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: Plus Vastgoed B.V, gevestigd te Utrecht, en anderen (hierna: Plus en anderen) appellanten, en de raad van de gemeente Midden-Delfland, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 23 juni 2020 heeft de raad het exploitatieplan "Centrumplan Den Hoorn 2020" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben Plus en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:RVS:2024:4773
202203138/1/R3. Datum uitspraak: 20 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te Amsterdam, en Grouster Vastgoed Maatschappij B.V., gevestigd te Grou, gemeente Leeuwarden, 2. het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (hierna: het college), 3. Vereniging van Eigenaren Suder Burd te Grou, gevestigd te Grou, gemeente Leeuwarden, [appellant sub 2A], wonend te [woonplaats], [appellant sub 2B], wonend te [woonplaats], [appellant sub 2C], wonend te [woonplaats], [appellant sub 2D], wonend te Grou, gemeente Leeuwarden, en [appellant sub 2E], wonend te [woonplaats] (hierna: de VvE en anderen), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 8 april 2022 in zaak nr. 21/42 in het geding tussen: de VvE en anderen en het college.
ECLI:NL:RVS:2024:4713
de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft (relatie tussen vorm, gebruik en constructie); het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is (relatie tussen bouwwerk en omgeving);
ECLI:NL:RVS:2022:2530
202006345/1/R4. Datum uitspraak: 31 augustus 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 16 oktober 2020 in zaak nr. 20/256 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Almere. Procesverloop Bij besluit van 7 november 2018 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen van twee woningen op het perceel [locatie 1] en het perceel [locatie 2] te Almere (hierna: de woningen) tot zes zelfstandige wooneenheden (hierna: appartementen).
ECLI:NL:RVS:2025:106
de bedrijfsactiviteiten op het buitenterrein te staken en gestaakt te houden, 2) het bedrijfsmatige gebruik van de kapschuur voor het uitoefenen van een hoveniersbedrijf te staken en gestaakt te houden, 3) het gedeeltelijke gebruik van de woning als kantoor voor het hoveniersbedrijf te staken en gestaakt te houden, 4) het bedrijfsmatig (laten) opstellen, af- en aanrijden en parkeren van bedrijfsvoertuigen ten behoeve van een hoveniersbedrijf te staken en gestaakt te houden, uiterlijk 1 februari 2023. 5. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 23 november 2022.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 23/10966 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2025 in de zaak tussen [eiser], uit [plaats 1], eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, (het college). Inleiding Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 1 december 2023, over het verlenen van een omgevingsvergunning voor een tijdelijke opslag van goederen bij de Albert Heijn aan [adres] (hierna: de Albert Heijn). De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2025 op zitting behandeld.

Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.L.M. Tijhof. Eiser is niet op zitting verschenen. De rechtbank stelt vast dat (ook) eiser op correcte wijze is uitgenodigd voor de zitting. Uit de gegevens van PostNL blijkt dat de aangetekend verstuurde uitnodiging ([kenmerk]) op 7 november 2024 om 13:34 uur is bezorgd op het adres van eiser. Eiser heeft geen bericht van verhindering toegestuurd. In de uitnodiging is aangekondigd dat mr. A.G.J.M. de Weert de zaak op zitting zou behandelen. Zij was op de dag van de zitting verhinderd vanwege persoonlijke omstandigheden.

Gelet daarop heeft mr. E.J. Govaers het beroep op zitting behandeld en de verdere behandeling van het beroep overgenomen. Ter zitting heeft het college aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben. Beoordeling door de rechtbank 1. Wat zijn de feiten? De Albert Heijn heeft op 17 juni 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd, voor een tijdelijke opslag van lege containers op de parkeerplaats. Bij besluit van 29 september 2021 (primair besluit) heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning tot uiterlijk 1 oktober 2022 verleend. De omgevingsvergunning ziet op de activiteit: het afwijken van het bestemmingsplan.

Eiser heeft daar op 10 november 2021 bezwaar tegen gemaakt. Op 9 november 2023 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Bij bestreden besluit heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en het bestreden besluit herroepen in die zin dat de omgevingsvergunning tot en met 31 december 2022 in stand is gelaten onder aanvulling van de motivering. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar heeft van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit. Eiser heeft op 16 februari 2024 gronden ingediend tegen het bestreden besluit.

2. Procesbelang 2.1 Voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, moet eerst worden beoordeeld of eiser procesbelang heeft. Het college heeft het procesbelang ook betwist. 2.2 Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure is komen te vervallen.

In dat geval is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. 2.3 De rechtbank is van oordeel dat eiser om de hierna genoemde redenen geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. 2.4 Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) blijkt dat in beginsel geen sprake is van procesbelang, wanneer de geldigheid van een omgevingsvergunning op het moment van beroep is verstreken. De omgevingsvergunning is verleend tot uiterlijk 31 december 2022.

De termijn waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, was op het moment van het indienen van beroep (op 9 november 2023) al verstreken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt verder dat in beginsel geen sprake is van procesbelang wanneer iemand opkomt tegen een omgevingsvergunning die is verleend voor een bepaalde activiteit en diegene als gevolg van een verhuizing niet langer woonachtig is in de omgeving van die activiteit. Eiser woonde ten tijde van het indienen van het beroepschrift niet langer in [plaats 2], maar in [plaats 1]. 2.5 Eiser heeft in zijn beroepschrift geschreven dat hij beroep heeft ingesteld om met de uitspraak in de hand sterker te staan in een schadevergoedingsclaim.

Eiser stelt dat hij zijn huis onder de gemiddelde prijs in de wijk heeft verkocht. Als iemand stelt schade te hebben geleden, kan dat betekenen dat hij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat procesbelang in een dergelijk geval alleen kan bestaan als tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit. De rechtbank heeft eiser bij brief van 20 december 2024 in de gelegenheid gesteld om de door hem gestelde schade – en daarmee het procesbelang – nader te onderbouwen.

In zijn reactie stelt eiser dat de door hem gestelde schade het gevolg is van meer dan alleen het bestreden besluit, dat uitsluitend zag op een tijdelijke opslag bij de Albert Heijn. Eiser heeft in zijn reactie namelijk betoogd dat hij financiële schade heeft geleden doordat keer op keer omgevingsvergunningen zijn verleend aan de Albert Heijn en werd geweigerd om handhavend op te treden. Dat resulteerde volgens eiser in een waardevermindering van zijn vorige woning van € 75.000,-. Eiser heeft echter noch de gestelde schade als gevolg van het hier in geding zijnde besluit noch de waardevermindering van zijn voormalige woning nader geconcretiseerd.

De rechtbank is van oordeel dat eiser in zijn reactie daarop niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. 2.6 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding. De beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 23 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb. ABRvS 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5005, r.o. 3.1 en ABRvS 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2301, r.o. 6.1. ABRvS 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4773, r.o. 8.1.

ABRvS 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4713, r.o. 5.1. ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2530, r.o. 2.2 en 2.3 en ABRvS 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:106, r.o. 6.1.