Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:2802 ECLI:NL:RBZWB:2025:2802 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:2802 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:2802
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/3506 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2025 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 25 februari 2024 de waarde van de onroerende zaak [adres] (hierna: de niet-woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 974.000. In hetzelfde geschrift heeft de heffingsambtenaar (onder meer) ook de aanslag onroerende zaakbelasting gebruiker (hierna:

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:2802 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Op grond van artikel 220b, eerst lid, aanhef en onderdeel b van de Gemeentewet wordt het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Onder volgtijdig gebruik dient te worden verstaan het kortstondig ter beschikking stellen van een onroerende zaak aan wisselende gebruikers. 5.2. Belanghebbende stelt dat de niet-woning op 1 januari 2024 feitelijk niet meer in gebruik was, in afwachting van de levering op 1 februari 2024. De heffingsambtenaar voert in het verweerschrift aan dat belanghebbende heeft verklaard dat de niet-woning voor een gedeelte op 1 januari 2024 werd verhuurd door [organisatie] aan verschillende bedrijven en dus sprake was van deelgebruik door belanghebbende.

Keywords

AI generated
building property acquisition of possession vendor's statutory lien real estate management contract real estate company rights of landlord

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1998:AA2318
Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1995 op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de afvalstoffenheffing, rioolrechten en onroerendezaakbelastingen opgelegd tot een totaalbedrag van f 582,50, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de Afdeling Financiën van de gemeente Haarlem (hierna: het Hoofd) zijn gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van het Hoofd, de aanslag in de afvalstoffenheffing en de aanslag in de onroerende-zaakbelasting betreffende het gebruik, vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2012:BV0250
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 wegens het gebruik van de onroerende zaak a-straat 1 te Z een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Middelburg opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg (hierna: de heffingsambtenaar) is gehandhaafd. De Rechtbank te Middelburg (nr. AWB 08/903) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2022:1033
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/04695 Datum 8 juli 2022 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 november 2021, nr. 20/00595, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/1072), betreffende een ten aanzien van belanghebbende genomen beslissing van de Ontvanger inzake het verrekenen van een uit te betalen teruggave.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/3506 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2025 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 25 februari 2024 de waarde van de onroerende zaak [adres] (hierna: de niet-woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 974.000. In hetzelfde geschrift heeft de heffingsambtenaar (onder meer) ook de aanslag onroerende zaakbelasting gebruiker (hierna:

OZBG) 2024 bekendgemaakt. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.1. In de uitspraak op bezwaar van 26 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen deze beslissing in beroep gekomen bij de rechtbank. 1.2. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar verklaard dat in de uitspraak van 26 maart 2024 het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2025 op zitting behandeld.

Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar [persoon] deelgenomen. Belanghebbende is zonder kennisgeving niet verschenen. Nu belanghebbende via het systeem Digitale Toegang op 12 december 2024, 09:56 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip is uitgenodigd om de zitting bij te wonen, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De rechtbank heeft daarom de zaak behandeld buiten aanwezigheid van de belanghebbende. 1.4. Aan het slot van de zitting heeft de rechtbank aangekondigd zes weken na de zitting schriftelijk uitspraak te doen.

Die termijn is niet haalbaar gebleken. Daarom is de uitspraaktermijn verlengd. Gelet op de korte duur van de verlenging heeft de rechtbank daarvan geen brieven aan partijen verzonden, maar neemt zij deze mededeling op in de uitspraak. De uitspraak is zo spoedig mogelijk na de verlenging aan partijen beschikbaar gesteld. Feiten 2. Belanghebbende was tot 1 februari 2024 eigenaar van de niet-woning, een bedrijfsgebouw. 2.1. De niet-woning is op 13 januari 2023 verkocht. Op 1 februari 2024 heeft de eigendomsoverdracht plaatsgevonden. Beoordeling door de rechtbank 3.

In geschil is of belanghebbende kan worden aangemerkt als gebruiker van de niet-woning en of de aanslag OZBG terecht aan belanghebbende is opgelegd. De rechtbank beoordeelt het geschil aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank kan belanghebbende wel worden aangemerkt als gebruiker van de niet-woning. Dit betekent dat de aanslag OZBG terecht aan belanghebbende is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering 4. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de aanslag OZBG kwijtgescholden dient te worden, omdat het pand op 1 januari 2024 leeg stond en feitelijk niet werd gebruikt.

Subsidiair is belanghebbende van mening dat de heffingsambtenaar de aanslag OZBG dient te verminderen tot € 135,17. Dit betreft 1/12e deel van de aanslag, gelijk aan de periode van 1 januari 2024 tot 1 februari 2024. Was er op 1 januari 2024 sprake van gebruik door belanghebbende? 5. Uit vaste rechtspraak blijkt dat onder gebruik wordt verstaan: het metterdaad bezigen van een onroerende zaak ter bevrediging van de eigen behoeften. Dit betekent dat er sprake moet zijn van een (beperkte) actieve betrokkenheid bij het gebouw moet zijn. De enkele omstandigheden dat de onroerende zaak krachtens eigendom aan belanghebbende ter beschikking stond, is op zichzelf onvoldoende om belanghebbende als ‘gebruiker’ van de onroerende zaak te kunnen aanmerken. 5.1.

Op grond van artikel 220b, eerst lid, aanhef en onderdeel b van de Gemeentewet wordt het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Onder volgtijdig gebruik dient te worden verstaan het kortstondig ter beschikking stellen van een onroerende zaak aan wisselende gebruikers. 5.2. Belanghebbende stelt dat de niet-woning op 1 januari 2024 feitelijk niet meer in gebruik was, in afwachting van de levering op 1 februari 2024. De heffingsambtenaar voert in het verweerschrift aan dat belanghebbende heeft verklaard dat de niet-woning voor een gedeelte op 1 januari 2024 werd verhuurd door [organisatie] aan verschillende bedrijven en dus sprake was van deelgebruik door belanghebbende.

Belanghebbende heeft deze stelling van de heffingsambtenaar niet betwist. Daarbij is het niet duidelijk geworden hoe ver de ingebruikstelling voor de verhuur strekte, maar de rechtbank is van oordeel dat deze onduidelijkheid voor rekening van belanghebbende komt. De rechtbank is daarom van oordeel dat kennelijk sprake was van een kortstondige verhuur voor een deel van de niet-woning. Ingevolge artikel 220b eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Gemeentewet is degene die de vorm van gebruik mogelijk maakt indien het gebouw in delen wordt verhuurd, degene die dient te worden aangemerkt als gebruiker.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende dan ook terecht als gebruiker is aangeslagen voor de OZBG. Is de aanslag terecht opgelegd? 6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende op 1 januari 2024 gebruiker was van de niet-woning. Op grond van artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2024 (de Verordening) is de OZBG een tijdstipbelasting. Dit houdt in dat de degene die op 1 januari van een belastingjaar het gebruik van een onroerende zaak heeft, voor het gehele jaar onroerende zaakbelasting is verschuldigd.

Dit brengt met zich mee dat er geen ontheffing wordt verleend indien belanghebbende gedurende het jaar de hoedanigheid van belastingplichtige verliest. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aanslag OZBG tot de juiste hoogte is vastgesteld. 6.1. Of en in hoeverre de OZBG tussen verkoper en koper is verrekend is op de beantwoording van de fiscaal-juridische vraag of de heffing terecht is, niet van invloed. Naar de rechtbank begrijpt is dit wel van invloed op de beleving aan de zijde van belanghebbende waar het gaat om rechtvaardigheid. Ten overvloede merkt de rechtbank daarom op dat partijen bij wisseling van eigenaar of gebruiker onderling de onroerendezaakbelasting kunnen verrekenen.

De rechtbank constateert dat dit valt onder de contractsvrijheid en de wet dit niet voorschrijft. In dit geval hebben de partijen in artikel 2 onder 1 van de overgelegde koopovereenkomst afgesproken om de gemeentelijke onroerendezaakbelasting wegens het feitelijk gebruik te verrekenen. De rechtbank merkt op dat zij geen inzicht heeft in wat er feitelijk verrekend is, nu de nota van de notaris waarbij de verrekening van de kosten ook zichtbaar is, niet tot de stukken behoort. Zij kan daarover dus geen uitleg geven. Is het bezwaar ontvankelijk? 7.

De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift geconcludeerd dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover anders te oordelen. In zoverre is de uitspraak op bezwaar dus onjuist. Gelet op het inhoudelijke oordeel van de rechtbank dat de aanslag terecht is opgelegd, is belanghebbende niet gediend met vernietiging van de uitspraak op bezwaar puur om taalkundige redenen. Belanghebbende heeft in bezwaar geen gelijk gekregen (waarbij de onjuiste ‘subcategorie’ is gebruikt). Ook in beroep krijgt belanghebbende geen gelijk.

Omwille van de leesbaarheid volstaat de rechtbank hier met de mededeling dat het bezwaar verbeterd moet worden gelezen en zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. 8.1. Omdat de heffingsambtenaar in het verweerschrift heeft toegezegd om het griffierecht van belanghebbende te vergoeden vanwege de misslag in uitspraak op bezwaar, moet de heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van W.M.C. Oomen, griffier, op 9 mei 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hoge Raad 7 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2318. Hoge Raad 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0250. In vergelijkbare zin Hoge Raad, 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033.