Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:216 ECLI:NL:RBZWB:2025:216 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:216 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:216
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/4178 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 29 maart 2024. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking 2023 alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer]. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:7 van de Awb, artikel 6:11 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2025:216 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb. Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb. Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb. Vgl. HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368 en HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4062.

Keywords

AI generated
value in dispute assessment of costs obligation to quantify claims unnecessary costs pricing policy extortion of excessive official fees

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
artikel 6:7 van de Awb
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
artikel 6:11 van de Awb
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2004:AP1368
Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 206.000. Belanghebbende heeft bij brief van 15 november 2000 de gemeente verzocht op grond van artikel 19, lid 1, letter c, Wet waardering onroerende zaken (tekst tot en met 31 december 1998; hierna: Wet WOZ) een nieuwe beschikking af te geven. Bij uitspraak van 4 december 2000 heeft het Hoofd Afdeling heffing en invordering van de gemeente Zaanstad (hierna: het Hoofd) het verzoek afgewezen. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het Hoofd vernietigd en de waarde nader vastgesteld op ƒ 191.000 (€ 86.672). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2006:AW4062
Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn ter zake van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het jaar 2000 aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van (destijds nog) de gemeente Grubbenvorst opgelegd. De Teamleider belastingen van de gemeente Horst aan de Maas heeft bij uitspraak het tegen de aanslagen gemaakte bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/4178 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 29 maart 2024. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking 2023 alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer]. 1.1.

Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. Toetsingskader 2.1.

Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. 2.2. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. Is het bezwaarschrift te laat ingediend? 3. Vast staat dat de dagtekening van het aanslagbiljet 1 februari 2023 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 15 maart 2023. 3.1. Het bezwaarschrift, met dagtekening 13 maart 2024, is op dezelfde datum bij de inspecteur ontvangen.

Dat is ruim na afloop van de bezwaartermijn. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend. Is het te laat indienen verontschuldigbaar? 4. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. In eerste instantie zag belanghebbende geen aanleiding om bezwaar te maken tegen WOZ-beschikking en de aanslag over het jaar 2023, omdat hij ervan uitging dat de WOZ-waarde, vanwege de waardepeildatum, al een gegeven was op het moment van de aankoop van de woning in mei 2022. Bovendien had belanghebbende destijds nog geen nauwe contacten met de bewoners van de identieke woningen, waardoor hij nog geen gesprekken had gevoerd over de WOZ-waarde van die woningen.

Naar aanleiding van de WOZ-beschikking over het jaar 2024 constateerde belanghebbende echter dat zijn woning, als enige van de zes identieke woningen in de straat, aanzienlijk hoger werd gewaardeerd. Volgens belanghebbende is dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende de WOZ-waarde van eerdere jaren nader beoordeeld en vastgesteld dat dezelfde ongelijke waardering ook geldt voor de WOZ-beschikking over het jaar 2023. Daarom heeft belanghebbende alsnog bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.

5. Een verontschuldigbare termijnoverschrijding ziet enkel op gevallen waarin de belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. Niet in geschil is dat belanghebbende wel in staat was om binnen de wettelijke bezwaartermijnen tegen de WOZ-beschikking en de aanslag bezwaar te maken, maar dit niet heeft gedaan. Pas op een later moment - vanwege de constatering dat zijn woning aanzienlijk hoger wordt gewaardeerd dan de volgens hem identieke woningen – zag belanghebbende aanleiding om alsnog bezwaar te maken.

Een nadien opgekomen reden kan echter niet bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgevonden niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt. Dit geldt voor zowel redenen van feitelijke aard als redenen van juridische aard. Het feit dat belanghebbende pas na afloop van de bezwaartermijn op de hoogte is geraakt van de aanzienlijke verschillen in de WOZ-waarde, vormt dan ook geen grond om te oordelen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Conclusie en gevolgen 6. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van I. Ben Avi, griffier, op 17 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak.

Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb. Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb. Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb. Vgl. HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368 en HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4062.