Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2025:2000 ECLI:NL:RBZWB:2025:2000 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2025:2000 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2025:2000
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-073830-24 vonnis van de meervoudige kamer van 7 april 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsvrouw mr. B.W.C. van Geet, advocaat te Tilburg (waarnemend voor mr. M.P.J.W.M. Govers) 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 maart 2025, waarbij de officier van justitie, mr. G. Smid, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Legislator headnote

AI generated

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBZWB:2025:2000 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt verdachte vrij te spreken vanwege het ontbreken van voldoende wettig bewijs. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte aanwezig is geweest bij de afpersing of hieraan op andere wijze heeft bijgedragen, waardoor niet kan worden gesproken van medeplegen.. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak, omdat er geen sprake is van medeplegen.

Keywords

AI generated
violence against authorities threat charges duress by threat violent offenses attempted extortion excessive use of force

Cited Legislation

AI generated
art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-073830-24 vonnis van de meervoudige kamer van 7 april 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsvrouw mr. B.W.C. van Geet, advocaat te Tilburg (waarnemend voor mr. M.P.J.W.M. Govers) 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 maart 2025, waarbij de officier van justitie, mr. G. Smid, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich met anderen schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van [aangever] door hem te dwingen tot afgifte van zijn T-shirt, tas en ketting.

3De voorvragen

De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt verdachte vrij te spreken vanwege het ontbreken van voldoende wettig bewijs. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte aanwezig is geweest bij de afpersing of hieraan op andere wijze heeft bijgedragen, waardoor niet kan worden gesproken van medeplegen.. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak, omdat er geen sprake is van medeplegen.

Verdachte heeft geen wezenlijke bijdrage geleverd aan de afpersing, want hij heeft hierin geen rol gehad. [medeverdachte] heeft tijdens de vechtpartij op eigen initiatief en zonder overleg met verdachte besloten naar aangever toe te lopen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat om het handelen van verdachte te kunnen kwalificeren als (mede)plegen van afpersing. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de afpersing heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

5De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 180,00 voor het feit. Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

6De beslissing

De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit; Benadeelde partij - verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Brouwer, voorzitter, mr. T.J. van Gessel en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 april 2025.

Mrs. Van Gessel en Boogert zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I De tenlastelegging hij op of omstreeks 5 september 2023 te [plaats]tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor geweld en/of bedreiging met geweld[aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een t-shit en/of een ketting en/ofeen nektasje, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan die[aangever] voornoemd en/of een derde toebehoorde(n)door* op een dreigende manier en/of met een bivakmuts op en/of met (een) wapen(s) inde hand op die [aangever] voornoemd af te lopen en/of die [aangever] voornoemd (op bozeen/of agressieve toon) te zeggen* dat hij zijn spullen af moest doen en/of aan hem, verdachte, moest geven en/of* dat hij die [aangever] anders zou slaan en/of hem iets aan zou doen;( art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht,art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht )