Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2024:8317 ECLI:NL:RBZWB:2024:8317 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2024:8317 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2024:8317
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/7243 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2024 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. Z.M. Alaca), en Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek (aanvraag) van 11 juli 2023 om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:12 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2024:8317 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen. ECLI:NL:RBROT:2024:6560. Artikel 6.7, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen. Zie overweging 3.6 van ECLI:NL:RBROT:2024:6560. Uitspraak van 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4482. Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209 waarin uit de toegekende proceskostenvergoeding blijkt dat een wegingsfactor van 0,5 is toegepast.

Keywords

AI generated
time limits for seeking redress excessive procedural duration untimely restitution petition duration of insurance entitlement right to compensatory damages timeliness of filing

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
artikel 6:12 van de Awb
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBROT:2024:6560
Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: ROT 23/8778, ROT 23/8780 en ROT 23/8781 uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2024 in de zaken tussen [naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres, gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBMNE:2023:4482
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/1607 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 september 2023 in de zaak tussen [verzoeker] uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: M.J. van Basten Batenburg) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht . Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om vergoeding van de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt voor een procedure vanwege niet tijdig beslissen door het college. De rechtbank ziet aanleiding om voor zaken over niet tijdig beslissen en een aantal andere zaakstromen nieuwe uitgangspunten te hanteren voor de wegingsfactor die wordt toegepast bij het vaststellen van een proceskostenvergoeding vanwege door een derde verleende rechtsbijstand.
ECLI:NL:CRVB:2018:2288
18772 AW Datum uitspraak: 26 juli 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 december 2017, 17/966 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de korpschef van politie (korpschef) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W. de Klein, advocaat, hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft geen verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 24 mei 2018, tezamen met de zaken 17/6068 AW, 17/7669 AW en 18/771, in welke zaken heden afzonderlijk uitspraak is gedaan.
ECLI:NL:RVS:2023:3209
appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/7243 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2024 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. Z.M. Alaca), en Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek (aanvraag) van 11 juli 2023 om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond? 3.

Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 11 juli 2023. Niet in geschil is dat de beslistermijn is overschreden. Eiseres heeft verweerder op 23 juli 2024 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd? 4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. 4.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.

In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2. In het verweerschrift van 13 november 2024 verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024. 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen.

Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het grote aantal door verweerder te behandelen aanvragen. Onder verwijzing naar en in aansluiting op de motivering in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 augustus 2023 acht de rechtbank in dit geval een termijn van negen weken na verzending van deze uitspraak een redelijke termijn voor het nemen van het besluit. In de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024 was sprake van een andere situatie (een beroep over het niet tijdig beslissen op bezwaar) dan in de zaak van eiseres (een beroep over het niet op tijd beslissen op een aanvraag), zodat al om die reden geen aanleiding bestaat om de beslistermijnen uit die uitspraak te volgen.

In die uitspraak wordt ook uitdrukkelijk overwogen dat de uitspraken van de Afdeling van 23 augustus 2023 alleen ten aanzien van beroepen over het niet op tijd beslissen op bezwaar niet langer worden gevolgd. Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om in afwijking van het landelijke beleid een lagere dwangsom, zoals verzocht door verweerder met verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024, op te leggen.

Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.3 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd. 6.1. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De rechtbank ziet, anders dan de rechtbank Midden-Nederland, geen aanleiding om in afwijking van de hoogste bestuursrechters een lagere wegingsfactor (0,25 in plaats van 0,5), zoals verzocht door verweerder, toe te passen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag van eiseres bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van M. Choyoua, griffier, op 5 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen. ECLI:NL:RBROT:2024:6560. Artikel 6.7, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen. Zie overweging 3.6 van ECLI:NL:RBROT:2024:6560. Uitspraak van 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4482. Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209 waarin uit de toegekende proceskostenvergoeding blijkt dat een wegingsfactor van 0,5 is toegepast.