Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2024:7296 ECLI:NL:RBZWB:2024:7296 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2024:7296 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2024:7296
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/10072 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: drs. [gemachtigde] ), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend naar aanleiding van een verminderingsbeschikking van de inspecteur met dagtekening 31 augustus 2023. De verminderingsbeschikking ziet op de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017 met [aanslagnummer] .H.77.01 (de navorderingsaanslag). 1.1 De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Legislator headnote

AI generated

art. 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBZWB:2024:7296 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: In dit geval is de inspecteur ambtshalve overgegaan tot de vermindering en niet naar aanleiding van een verzoek van belanghebbende. Om die reden is artikel 9.6, vijfde lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet van toepassing. De ambtshalve beslissing van de inspecteur is dus niet voor bezwaar en beroep vatbaar. De rechtbank is daarom onbevoegd om de vermindering te beoordelen. 3.4 De inspecteur heeft te kennen gegeven dat zij het bezwaarschrift van 12 december 2023 nog niet in behandeling heeft genomen en dat zij dit alsnog zal doen. De inspecteur is al gedeeltelijk (ambtshalve) aan dit bezwaarschrift tegemoetgekomen.

Keywords

AI generated
late objection to debt enforcement supervisory complaint non-compliance with inspection regulations amendment of the claim challenge of administrative decisions action for price reduction

Cited Legislation

AI generated
art. 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht
Omdat de inspecteur al beschikt over het beroepschrift, laat de rechtbank doorzending op basis van art. 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht achterwege.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2000:AA4984
Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Bij beschikking van 23 september 1996 (hierna: de primaire beschikking) heeft de teamleider technisch team van de eenheid Belastingdienst/Registratie en successie P besloten dat belanghebbende “niet meer onder de gerangschikte rechtspersonen als bedoeld in artikel 24 lid 4 van de Successiewet 1956 dient te worden opgenomen”. Op het bezwaar van belanghebbende tegen die beschikking heeft de Inspecteur haar niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft zich onbevoegd verklaard en heeft bepaald dat de griffier het beroepschrift doorzendt aan de rechtbank te Breda (bestuurssector). 2.Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
ECLI:NL:HR:2019:1574
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 18/00689 Datum 11 oktober 2019 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 december 2017, nr. 16/00566, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 16/828) betreffende het verzoek van belanghebbende om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/10072 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: drs. [gemachtigde] ), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend naar aanleiding van een verminderingsbeschikking van de inspecteur met dagtekening 31 augustus 2023. De verminderingsbeschikking ziet op de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017 met [aanslagnummer] .H.77.01 (de navorderingsaanslag). 1.1 De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. Feiten 2. Op 10 december 2022 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag opgelegd. 2.1 Op 12 december 2022 heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om uitstel van betaling en aangegeven niet akkoord te zijn met de opgelegde navorderingsaanslag. Op 16 februari 2023 heeft belanghebbende nogmaals verzocht om het verzoek tot uitstel van betaling in behandeling te nemen. 2.2 Op 8 augustus 2023 ontvangt belanghebbende een e-mail van een medewerker van de belastingdienst waarin staat dat de navorderingsaanslag ambtshalve zal worden aangepast.

Belanghebbende zal naast de e-mail nog schriftelijk worden geïnformeerd over de ambtshalve aanpassingen voor het jaar 2017. 2.3 Op 31 augustus 2023 heeft de inspecteur een verminderingsbeschikking genomen. Naar aanleiding van deze verminderingsbeschikking heeft belanghebbende op 6 oktober 2023 beroep ingesteld. 2.4 De inspecteur heeft de brieven van 12 december 2022 en 16 februari 2023 ten onrechte niet aangemerkt als bezwaarschrift. De inspecteur laat de rechtbank op 21 maart 2024 weten dat de bezwaarfase voor de navorderingsaanslag 2017 zal worden opgepakt.

Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank gaat allereerst in op de vraag of beroep kan worden ingesteld tegen de ambtshalve vermindering van 31 augustus 2023 (de vermindering) en dus of de vermindering een uitspraak op bezwaar is, mede gelet op de e-mail van 8 augustus 2023. 3.1 De uitspraak op bezwaar kent geen vormvereisten. Het gaat erom of belanghebbende de beslissing van de inspecteur gelet op de vorm en inhoud van die beslissing heeft kunnen en mogen opvatten als een uitspraak op bezwaar. Het komt er daarbij op aan of die mededeling duidelijk maakt dat de inspecteur op het bezwaarschrift heeft beslist en dat daardoor een einde is gekomen aan de bezwaarfase.

De enkele schriftelijke kennisgeving van een vermindering van een belastingaanslag, nadat daartegen bezwaar is gemaakt, brengt niet mee dat uitspraak op bezwaar is gedaan. 3.2 In dit geval acht de rechtbank de ambtshalve vermindering geen uitspraak op bezwaar. De redenen worden hieronder toegelicht.

i) Het opschrift van de verminderingsbeschikking heeft de aanduiding ‘Vermindering’, niet ‘Uitspraak op bezwaar’. ii) In de tekst van de vermindering en van de e-mail van 8 augustus 2023 wordt op geen enkele wijze gerefereerd aan het bezwaarschrift. (iii) In de e-mail van 8 augustus 2023 wordt wel meermaals genoemd dat sprake is van een ambtshalve beoordeling en wijziging van de navorderingsaanslag. (iv) De vermindering bevat geen rechtsmiddelverwijzing. 3.3 De rechtbank concludeert dat belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen een ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag.

In dit geval is de inspecteur ambtshalve overgegaan tot de vermindering en niet naar aanleiding van een verzoek van belanghebbende. Om die reden is artikel 9.6, vijfde lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet van toepassing. De ambtshalve beslissing van de inspecteur is dus niet voor bezwaar en beroep vatbaar. De rechtbank is daarom onbevoegd om de vermindering te beoordelen. 3.4 De inspecteur heeft te kennen gegeven dat zij het bezwaarschrift van 12 december 2023 nog niet in behandeling heeft genomen en dat zij dit alsnog zal doen. De inspecteur is al gedeeltelijk (ambtshalve) aan dit bezwaarschrift tegemoetgekomen.

Voor zover het beroepschrift is ingediend in verband met dat bezwaar, zal het worden aangemerkt als aanvulling op het bezwaarschrift. Omdat de inspecteur al beschikt over het beroepschrift, laat de rechtbank doorzending op basis van art. 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht achterwege. Conclusie en gevolgen 4. De rechtbank is onbevoegd een inhoudelijk oordeel te geven in deze zaak en draagt de inspecteur op het beroepschrift als aanvulling van het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag in aanmerking te nemen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht terug. 4.1 Belanghebbende heeft verzocht om de kosten van de beroepsprocedure te vergoeden.

De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding voor een integrale of hogere kostenvergoeding. Beslissing De rechtbank: verklaart zich onbevoegd; draagt de inspecteur op het beroepschrift als aanvulling van het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017 met [aanslagnummer] .H.77.01 bij de behandeling van het bezwaar mee te nemen; veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 875,-; draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51,- aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 29 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Zie hiervoor ECLI:NL:HR:2000:AA4984. Zie hiervoor ECLI:NL:HR:2019:1574.